Zittend op een terras in een bekende badplaats kijk ik uit over de boulevard. Hoewel ik op een verhoogd terras zit, en eigenlijk wat neerkijk op het toneel, overvalt me een gevoel van nederigheid.
Want we zijn een belangrijk volk.

Uitbundig grote auto’s verplaatsen zich stapvoets langs alle sukkels, die op verhoogde terrassen achter hun bakkie koffie zitten toe te kijken. De bestuurders zwaaien nog net niet naar het voetvolk, maar kijken wel deksels belangrijk om zich heen.

We zijn ook een bruin volk. Waar menig tolerante Nederlander zich liever niet geassocieerd ziet met gekleurde medemensen, proberen diezelfde Nederlanders diezelfde bruine kleur te imiteren door moeizame uurtjes op het harde oppervlak van een zonnebank door te brengen. En elk zonuurtje op het strand mee te pikken. Gelukkig zijn we hier overigens binnenkort vanaf, aangezien het blanke gen recessief is.

Bij mooie auto’s en een gebruinde huid passen mooie stukken goud en een modieuze snit. Goed, dat moet iedereen toch zelf weten, hoor ik u denken. U heeft wel gelijk, maar de mensen op de boulevard lijken zó erg op elkaar dat van zelf weten bijna geen sprake kan zijn. Imitatie van het goedkope soort, een soort geplastificeerde leatherlook. Sommige meelopers beleggen volgens mij met financiële risico’s, om het allemaal bij te benen. Want je hoort er niet zomaar bij.

Naast mij nemen een man en een vrouw plaats. Ze spreken met de geaffecteerde tongval die hier erg in zwang is. De man is onverstoorbaar achter zijn donkere bril en vrouw is aanstellerig druk, alsof ze per ongeluk de waterstofperoxide ook heeft ingeslikt. De rosébiertjes nippen zo lekker en de man paft eens een sigaartje weg.
‘Was wel leuk, met de kinderen naar het strand, zouden we eens vaker kunnen doen,’ kweelt de vrouw.

Het antwoord van de man wacht ik niet af, want ik heb net afgerekend en vervolg mijn weg langs de boulevard.
Grote, hoge hotels, met veel ornamenten, doemen op. Alle kamers zijn bezet. Grote terrassen, waar een biertje vier euro kost, zijn overvol. Bombastisch volk, dat protserig met elkaar in conclaaf is. Goud in de mond, om de nek en in de portemonnee. Het blinkt me overal tegemoet.

Met berichten over een oneerlijke economie en mensen die naar de voedselbank moeten om in leven te blijven vind ik een dagje aan zee een vrij schrijnende gebeurtenis. We zijn helemaal geen arm land. Slechts enkele groepen in de samenleving trekken aan het kortste eind.

Ik walg van de holle vaten om me heen en verwens het gehele volk. Ik daal af naar het strand. Voorzichtig pootjebadend begeef ik me, in mezelf nog mopperend, op weg.

Plotseling rent een klein jongetje op me af. Vlak voor me springt hij voluit met beide beentjes in de zee. Ik ben kletsnat tot aan het kruis. Het jongetje kijkt me zeer lief aan en zegt:
‘Nou ben je kletsnat!’ Hij lacht mij allervriendelijkst toe en rent weer weg naar zijn moeder, die beide armen ten hemel heft als excuus.
Ik lach.

Nee, dat van dat verrotte volk neem ik terug. Een groot schrijver zei eens dat zowel armoede als geld niet gelukkig maakt. Een beetje tussenin is prima.
Dan zit ik dus wel goed.
En opgewekt slenter ik verder, met de voeten door het water van de Noordzee.