09-02-2013. Een Blackberry in de toiletpot. Een raar begin van een kort interview. Toch was omstandig gestuntel mijnerzijds in de sanitaire ruimte de oorzaak van de onvrijwillige tewaterlating van het communicatieapparaat. Vruchteloze pogingen om het ding weer aan de praat te krijgen, na zorgvuldige droging, liepen op niets uit. Geen aanrader voor een zonnig humeurtje op een onschuldige zaterdag, kan ik u verzekeren. Zo’n apparaat kun je echter beter wél verzekeren, ze zijn ontmoedigend duur. Daarom zocht ik op Marktplaats naar een vervangend mobieltje. Ik vond er een. Aangeboden in Zuidhorn. Zo kwam ik thuis bij Adrian Mey.

De transactie verloopt zeer snel. De Blackberry is nog nieuw en de prijs prettig. We praten wat over voetbal. Net wil ik overgaan tot afsluitend handdrukken, als mijn oog valt op een CD, die op tafel ligt. Ik kijk nog eens, en zie de heer, met wie ik in gesprek ben, afgebeeld staan op de omslag.

“Hé, dat ben jij!” roep ik, weinig verheffend. Adrian glimlacht. Niet zonder trots.
“Ja klopt. Ik zing al meer dan vijfentwintig jaar. Ik ben ook altijd ZZP-er geweest in de artiestenbranche. Ik regelde inzet van artiesten en zo. Maar ik zing ook zelf.”
Hij kijkt me aan, met een zeer open blik achter de vierkante brillenglazen. Ik voel dat het niet honderd procent oké is en vraag:
“Zing je nog steeds?”
Zonder dat het gezicht ook maar iets betrekt vertelt Adrian over twee hernia’s, een hartinfarct en een maagoperatie.
“Maar ik ga gewoon door,” besluit hij, “ik ben een positief ingesteld mens.”
Een understatement.

Met toenemende belangstelling bekijk ik hem. Ik bespeur niet de geringste humeurigheid of grimmigheid na al deze tegenslag. En dat boeit me. De CD heb ik inmiddels in mijn bezit en hij vertelt erover.
“Kijk, dit nummer heb ik opgenomen samen met mijn zoon. Hij was toen nog maar tien jaar. Het leuke is dat ik bijna twintig jaar later het nummer nog eens met hem heb opgenomen.”
Liefde voor het vak heet dat. Hij ademt het in en uit.
“Kijk, en dit nummer heb ik eens geschreven voor Arne Jansen. Ik heb dat nummer aan hem gegeven, maar ik heb daar later nog aardig problemen mee gehad.”
“Hoezo dan?” vraag ik.
“Nou kijk, toen hij dood was heb ik een videoclip van dat nummer gemaakt. Ik kreeg toen heel veel boze reacties van fans die riepen ‘Hoe kan je dat nu doen, nu Arne dood is. Je profiteert van zijn dood, schandalig!’ Ik antwoordde dan dat echte fans de CD van Arne hebben en dat ze mijn naam dan op de achterkant zien staan. Maar het hielp weinig.”
“Ja mensen hebben hun oordeel snel klaar,” repliceer ik, als opoe op de markt.
“Ik heb het later nog eens uitgebracht,” vervolgt Adrian, “en toen gebeurde hetzelfde weer. Maar toen was ik er klaar mee en heb de pers ingeschakeld. Er kwam toen een stuk in de Telegraaf!”

Aangezien ik ook in Zuidhorn heb gewoond bespreken we nog even de dood van een plaatselijke huisarts. De dood in het verkeer. In Oldeholtpade.
“Raar geval,” zegt Adrian, “het rare is dat ik daarvoor nog nooit van de naam Oldeholtpade had gehoord. Maar toen dat ongeval. Ik doe ook nog iets met een bezorgdienst en Oldeholtpade kwam toen in mijn wijk. En een week later gaat de telefoon. Of ik wil zingen op een begrafenis. In Oldeholtpade.”

“En, heb je het gedaan?” vraag ik.
“Ja, want er hadden al drie zangers afgezegd. En het was de wens van de overledene. Live muziek op de begrafenis. Ik heb toen de afspraak met de hartspecialist maar verzet en heb daar twee uur gezongen. Ik drink eind februari nog even koffie met de weduwe en haar zoon.”

Adrian ten voeten uit, zo lijkt me. Niet zomaar een zangertje. Een zanger met gevoel. We praten nog even over zieke familieleden. Hij vertelt met warmte over een zieke zus, die hij bezoekt in het westen van het land.
We nemen afscheid.
am
“Ga hier maar langs,” duidt Adrian glimlachend, “langs m’n Hall Of Fame.
De gang bevat fotocollecties en CD’s die onderscheiden zijn. Vijfentwintig jaar zingen met gevoel. Aan de wand. Adrian staat er trots bij, maar ook weer heel gewoon.
Gewoon, Adrian. Het zou een goede titel voor een volgende CD zijn.

Ik maak een foto en vertel hem dat ik wat schrijf als journalist.
“O, kom ik nou met een stuk in de krant?” vraagt hij, vermaakt.
“Nee man. Ik vind het leuk stukje voor op mijn website,” relativeer ik, “maar die wordt nog heel aardig gelezen hoor.”
“Geef maar een seintje als het erop staat,” zegt Adrian, “lijkt me leuk om te lezen.”

Maar het stond er al.

 

http://www.adrianmey.nl

Verschenen in het fanclubblad van Adrian Mey – 2013