Afscheid (2)

‘Wat is er?’ vroeg ze, mij aankijkend, ‘het lijkt wel of je een binnenband hebt ingeslikt.’
Ik keek om en zei: ‘Nee ik heb net een van je zelf gebakken koekjes genomen.’
Haar blik betrok. Op dat moment stormden mijn zoontjes de huiskamer binnen, luidruchtig uitvoering gevend aan een zelfbedacht kontschopspel. Halverwege de kamer bleven ze staan. Ze keken mij aan.
‘Wat is er?’ vroeg de jongste.
‘Ik heb me verslikt,’ zei ik maar.
‘Hij zat bij de koekjes,’ hoorde ik op de achtergrond.
Hun ogen werden groot. Onmiddellijk volgden claims ten aanzien van het aantal kaakjes dat per direct genuttigd kon worden. Provocerend nam ik een handvol koekjes uit de trommel en propte ze allemaal in mijn mond. Luid protest volgde. Ik begon te lachen, maar verslikte me.
Op de lagere school deed ik eens een vogelnestje in de ringen en kwam lelijk vast te zitten. Hetzelfde gevoel overkwam mij. Met een lichte druk op de maag verliet ik het vertrek en sloot de deur zorgvuldig achter mij.
Mijn lach verdween alsof iemand het lichtknopje bediende.
Natuurlijk was er wat.

Een ieder die roem wil behalen, moet tijdig van de eer afscheid nemen en de zware kunst beoefenen te rechter tijd heen te gaan. Nietzsche schreef het ooit op. Mijn leven vult zich niet met citaten van Nietzsche of van filosofen in het algemeen, maar ik moest toch even denken aan deze woorden, of in ieder geval woorden van vergelijkbare strekking, want ik citeer nooit foutloos.
En het was best een eer, hoewel ik de context van Nietzsche, gerelateerd aan leeftijd, verre van mij wierp. Werken op een afdeling die ik niet kende. Mensen wier gezichten mij bekend voorkwamen, maar waarbij ik de naam vergat, hoe ludiek de personen ook uitgedost waren.

Maar het was ook best spannend, toen ik de eerste dag ten tonele verscheen. Het was wel aangekondigd gelukkig dat ik zou verschijnen, zodat mij niet een bevreemd ‘Ja, wat doe jíj hier?’ voor de voeten werd geworpen bij het betreden van de eerste etage. Ik had overigens gehoord dat de mensen veel schreeuwden tegen elkaar en elkaar vaak achterna zaten met een soort kontschopspel. In gedachten zag ik een ontgroening voor me, waarbij ik gehavend uit de verf kwam.

Gelukkig bleef dit uit. Na een paar dagen bleken de mensen elkaar minder achterna te zitten dan geschetst en ook de uitdossing van de personen bleek mee te vallen. Hoewel allen werkzaam in de techniek kon je gewoon met de mensen praten en kreeg je antwoord op sympathieke wijze. Ze kenden elkaar ook al vrij lang over het algemeen en vonden elkaar ook erg aardig. Gelukkig vonden ze mij ook aardig. Althans dusdanig aardig dat ze me niet in mijn gezicht uitlachten of mopperden in mijn oor of achter mijn rug.

Maar goed, Het is goed openhartig naar anderen te zijn, maar met eerlijkheid moet je voorzichtig zijn, en als het mogelijk is moet je respectvolle en aardige woorden gebruiken, zei Confucius ooit. Maar misschien bedoelde hij het anders. Mijn leven vult zich niet met citaten van Confucius, of van filosofen in het algemeen.

En zo verstreken de maanden. Ik leerde de mensen kennen, als was ik een van hen. Het gevoel dat ik niet kende, de megajarenlange collegiale binding, begon zich van mij meester te maken. Ik stond ooit op een volle tribune bij een voetbalclub, waarvan ik de naam niet zal noemen. De supporters waar ik tussen stond schreeuwden uit volle keel. Aanvankelijk vond ik het ordinair en affreus. Plat volk dat zich vermaakte, onder het genot van bier en scheten. Voordat het einde van de wedstrijd in zicht was schreeuwde ik echter keihard mee. We waren samen voor de club. Met z’n allen. Voor de club en tegen de scheids. We moesten scoren. Winnen. Mooi gevoel. Ik dacht eraan.

Ik stond nog steeds maar een meter in de kamer. De deur die ik net gesloten had opende zich. Mijn oudste zoon gluurde om het hoekje.
‘Is er iets?’ vroeg hij zacht. Het sensitieve kereltje. We gingen even zitten.

Ik vertelde hem van afscheid nemen waar ik niet goed in was. Hij veerde op. Het kereltje dat van oudsher moeite had met het afscheid nemen op het schoolplein kreeg de glimmende blik van herkenning in de ogen.
‘Dat heb ik altijd op school, pap!’
‘Ja, jongen. Ik weet het.’

Weer beneden kreeg ik mijn lievelingseten voorgeschoteld, waarvan ik de naam niet zal noemen. Mijn zoontjes grapten. We hadden het over een wat nieuw en netter spel. Het leven ging door, ik voelde het. Ik dacht nog even aan de inmiddels lege kantoorkamer die ik achterliet. Hels verlicht in het kille TL spectrum. Ik lachte om mezelf. Ik was immers niet weg, de mensen waren niet weg. Ik ging gewoon op een stoel op een hoger gelegen etage zitten.

’s Avonds in bed dacht ik natuurlijk aan Sartre, existentialist in hart en nieren. De afdeling die ik verliet moest immers ook nadenken over wie ze waren en wat ze gingen doen. Eerst op deze wereld verschijnen, dan existeren, om uiteindelijk zichzelf te definiëren door middel van eigen daden. In essentie een existentialistisch vraagstuk leek me. Niet in de afzondering zullen we onszelf ontdekken, maar onderweg, in de stad, in de menigte, als ding onder de dingen, als mens onder de mensen, schreef Paul Sartre op. Mijn leven vult zich niet met citaten van Sartre of van filosofen in het algemeen, maar ik moest toch even denken aan deze woorden, of in ieder geval woorden van vergelijkbare strekking, want ik citeer nooit foutloos.

Ik viel in slaap, denkend aan een mooie toekomst voor, een beetje míjn, afdeling. Met een dankbare glimlach om de mond.