Terwijl het zomer is, de wind lauw briest
Kinderen rennen en mensen op het gras
Dacht hij dat het ’n ander jaargetijde was
Maakt de inwendige kou hem kil en triest

Zelfbewust bloeit de natuur, met kracht
Zonovergoten toont ze alle pracht en praal
Hij ziet het met lege, grijze ogen allemaal
Terwijl hij naar een beetje liefde smacht

Zich bevrijdend uit zijn geestelijk beleg
Slaat hij stof van z’n jas weg in de wind
Loopt hij, niets dat hem hier nog bindt
Waar hij gaat is van nu af aan een weg