“Mijn moeder zat alleen maar achter de jongens aan. Zelf werd ik als elfjarige het huis uit gedonderd.”
Verbaasd kijk ik naar rechts. Naast mij zit een tonnetjesronde vrouw te vertellen aan haar toehoorster tegenover haar. Nu gebeurt dat wel vaker, maar de galmende toon waarmee ze oreert treft mij onaangenaam. De vrouw kijkt niet zielig na deze zin, maar eerder trots, met een glimlach om de mond. Je ziet het wel meer bij mensen, die weliswaar iets ergs hebben meegemaakt, maar het eigenlijk allang verwerkt hebben en het nu exploiteren. Ellende-winst.

Samen met de vrouw schuin tegenover mij kijk ik gelaten voor me uit. Ik heb al geen topdag, en nu wordt dit negatieve gevoel onnodig gevoed, want het verhaal is nog lang niet uit blijkbaar.
“Ja en in dat klooster waar ik terecht kwam werd er wel geslagen. Als je niet oppaste kreeg je een klap. Zo’n tante heb ik ook gehad. Ik was acht jaar toen ik begon terug te schoppen. Trouwens mijn vader kon er ook niet tegen, want mijn moeder sloeg hem ook. Uiteindelijk pleegde hij zelfmoord toen ik dertien was. Wel jammer, want hij kon erg goed tekenen. Dat heb ik van hem geërfd.”

Ik dacht in de vrouw schuin tegenover mij een lotgenote te hebben in het aanhoren van de absurde ellende zonder enige samenhang. Niets blijkt minder waar helaas.
“Mijn moeder dronk zoveel,” steekt ze van wal. Het lijkt nog het meest op een potje verbaal kaarten met louter troefkaarten met ellende.
“Ze lag elke dag dronken in bed. Naakt moet je weten. Ze had drie kinderen van drie verschillende mannen. Daar ben ik dus een van. Ik weet ook niet wie mijn vader is, want als je er naar vroeg kreeg je een laars naar je hoofd. Ik ben nog blij dat ik zelf niet aan de drank ben of dat ik mijn eigen kinderen mishandel. Dat hoor je toch veel.”
“Mijn vader bleek uiteindelijk verstandelijk beperkt. Hij had een IQ van 80,” antwoordt de eerste vrouw. “En ik heb vier oom en tantes in het klooster gehad. Ze werden allemaal beschouwd als buitenbeentjes en hebben geen goed lager onderwijs genoten.”

Ik blik weer voorzichtig opzij en zie weer die zalvende lach. De vrouwen leunen nu allebei voorover en raken elkaar bijna met hun neus. Het tafeltje wiebelt vervaarlijk. Het verhaal is blijkbaar voortgekabbeld want ik hoor opeens:
“Toch kon Vincent dammen. Hij moest eerst leren dammen van mij voordat ik hem schaken ging leren. Maar toen hij op de schaakclub wou van school bleek dat je daarvoor gevraagd moest worden. En hij werd niet gevraagd. Ik heb toen nog de school gebeld om te vragen waarom hij niet werd gevraagd. Die juf had haar eerste aanstelling voor een jaar en het bleek dat zij niet wist dat je gevraagd moest worden voor de schaakclub.”
“En als mijn moeder dan een keer nuchter was dan moest ik van haar de boodschappen halen. Als ik dan thuis kwam krijste iedereen door elkaar en rolden de boodschappen over de vloer,” pareert de andere vrouw. De stand lijkt me licht in het voordeel van de eerste spreekster trouwens. Die vervolgt:
“Vincent is uiteindelijk gestorven. Zelfmoord.”

Ik vind het gesprek zó onsamenhangend dat ik uiteindelijk toch glimlach. De vrouw schuin tegenover mij ziet dat helaas. Ik zet mijn onschuldigste gezicht op en kijk in het koffiekopje. Ik heb de iPad voor me liggen en schijnbaar speels beroer ik het apparaat.
“Maar dat vertel ik straks even,” zegt de vrouw middenin een zin. Opnieuw kijkt ze kort naar mij. Een beetje argwanend, alsof ik alles opschrijf wat ze zegt. Dat is natuurlijk niet zo.

Bíjna alles.

 
image111
 
Opgetekend in Brasserie Zomers te Groningen – op 6 april 2012