Teleologie: Aristoteles

Achtergrond
Politiek is voorbehouden aan groep van welgestelden. Maatschappelijke eer speelt een belangrijke rol. Aristoteles is een leerling van Plato. Na diens dood wordt hij huismeester van Alexander de Grote. Hij wordt betiteld als de geniaalste leerling van Plato. Maar hij werd geen opvolger van de Academie, misschien omdat hij geen Athener en misschien te weinig democratisch ingesteld was. Na Plato’s dood verlaat Aristoteles Athene. In Macedonië is hij de huisleraar van Alexander de grote. Rond 335 vC keert Aristoteles terug naar Athene. Het Lyceum wordt zijn eigen school. Lessen geeft hij wandelend in de tuin. We spreken over de peripatetische school. Peripatetici zijn rondwandelaars. Als Alexander de Grote sterft (323 vC) vlucht Aristoteles uit Athene.

Relativisme
Plato en Socrates pareerden het relativisme. Het Relativisme stelde dat bijvoorbeeld rechtvaardigheid gebonden is aan plaats en tijd. Je kunt rechtvaardigheid naar je hand zetten als je machtig genoeg bent of je moet je onderwerpen. Daarom is rechtvaardigheid nog geen waarheid. Plato en Socrates stelden de vraag of het goed is om je aan een heersende code te confirmeren. Je moet je altijd de vraag stellen wat nu echt goed, rechtvaardig of deugdzaam is. Aristoteles voegt daar later aan toe dat ook een metafysische verklaring niet voldoende is. Ethiek zoekt namelijk het goede dat in praktijk, in het huidige, te verwezenlijken is.

Ethiek
Ethiek is geen exacte wetenschap. Niet iedereen in dezelfde situatie komt tot dezelfde handelswijze. De waarheid kun je globaal schetsen. Ethiek is gericht op vorming van de toehoorder en bedoeld om het leven beter te maken, met retorische bewijsvoering. Er zijn twee voorwaarden voor een retorisch verantwoord betoog: ethos en pathos; de betrouwbaarheid van de spreker en de ontvankelijkheid van de toehoorder. Aristoteles stelt daarbij eisen aan de toehoorder. Wie niet voldoende gevormd is en opvoeding heeft over wat goed is, kan geen lessen over ethiek volgen. Dit is een circulaire benadering. Normatieve ethiek doet een beroep op voorkennis. Dat betekent ook dat ethiek door een bepaalde morele cultuur getekend is!

Teleologische ethiek
Aristoteles beschrijft teleologische ethiek. Van logos (logica) naar telos (doel). Ingebed in een teleologische metafysica. Metafysica wil de grondslag en structuur van de gehele werkelijkheid opsporen. Teleologische metafysica spoort werkelijkheid op in relatie tot een doel. Alles wat is, is in beweging naar een doel dat het in aanleg is (entelechie); de dingen hebben een doel in zichzelf. Het doel is als het ware de oorzaak. Een beweging naar de verwerkelijking van het doel.

Doelen
Doel van de mens is volgens Aristoteles niet de verwerkelijking van een gesteld doel, maar van zijn wezenlijke bestemming. Doelen zijn poièsis (maken) of praxis (beperkt tot de activiteit zelf). Menselijk leven is praxis, een optimale voltrekking (doen én laten). Maar ook houding en gesteldheid bepalen mede het verloop van het leven. Het goede leven is geen eindpunt, geen product dat wordt gemaakt.
Geluk – deugd – karakterdeugd – plezier

Geluk (Eudemonia)
Aristoteles geeft een categorisering hoe mensen leven. (1) Een leven van plezier leiden (talrijkst, sensatiezoekers) Aristoteles vergelijkt dit met het leven als een beest. Geluk = genot. (2) Geluk als eer (eervolle activiteiten, welzijn gemeenschap, ook politiek). Aristoteles stelt dat eer ten onrechte gegeven of onthouden wordt. Eer en voortreffelijkheid zijn dus belangrijker dan geluk. (3) Geluk als inzicht (leven gewijd aan beschouwing). Aristoteles stelt dat de man die in gedachten struikelt en wordt uitgelachen dan blijkbaar niet gelukkig kan zijn.
Geluk is bestemming volgens Aristoteles. Een zaag moet goed zagen. Een mens moet goed ‘mensen’. Goed doen waarop hij gericht is. Functie, bestemming, vermogen en verlangen horen daarmee bij elkaar. Geluk moet duurzaam zijn. Optimale zelfverwerkelijking.

Deugd
Brede moraal zoekt het maximaal mogelijke om individuen bij elkaar te houden. Brede moraal is perfectionistisch en valt onvermijdelijk terug op de opvattingen van een bepaalde gemeenschap. Aristoteles zit in deze hoek; deugden zijn het product van opvoeding in de gemeenschap. Deugd is hier ‘optimaal’ of ‘zo goed mogelijk.’ Rationeel en irrationeel raken elkaar in denken en verlangen. Denken dat doordrongen is van verlangen. Verlangen dat verredelijkt wil worden. Er zijn dan twee soorten deugden. Intellectuele deugden (vanuit de rede) en ethische deugden (vanuit verlangen), waarmee beide dus deel uitmaken van het geslaagde leven, geluk dus. Bij Aristoteles speelt het voorbeeld, het prijzenswaardige, een grote rol. De geslaagde mens doet het goed. Inzake vrees en vertrouwen bijvoorbeeld is teveel van het goede en leidt tot overmoed, en te weinig en ontaardt in lafheid. Het goede midden is: moed.

Karakterdeugd
Karakterdeugd komt voort uit problematische vertaling van ‘ethische deugd.’ Ethos betekent ook karakter. We worden niet deugdzaam geboren. Anders was er ook niets verdienstelijkst aan. Deugd is niet van nature, niet bovennatuurlijk en niet via geweld te krijgen. Ook niet uit het niets te scheppen, onze natuur moet al deugen om er iets van te maken. Vorming en opvoeding spelen wel een rol. We spreken over natuurlijke deugd en eigenlijke deugd (door bewerking en verfijning). De verfijning moet in lijn zijn met de natuur, anders is deze krampachtig en ook niet gelukkig makend. Deugd is er pas na herhaling en duurzaamheid. Deugd is gebaseerd op een keuze waarvoor we verantwoordelijk zijn. Deugdzaam is degene die vanzelf het juiste kiest. Wat het juist is, is de volgende vraag. Juist is dan de gulden middenweg met het juiste moment, juiste handeling, tussen teveel en te weinig, te vroeg en te laat enz. Dit midden is ten aanzien van onszelf. Een worstelaar eet meer dan ik en een kind doet iets goed, terwijl ik dan laf ben. Hij die al verstandig is maakt de goede keuze. Verstandelijke en ethische deugd bestaan dus niet los van elkaar.

Intellectuele deugd
Optimale verwezelijking van logos (rede, rationaliteit). Binnen deze deugd is er een tweedeling: denken om het denken zelf en de praktische rede. Beiden zijn gericht op de waarheid. Goed weten te handelen is goed weten te overwegen, bepalen wat iets goed maakt. Wat is relevant, wat niet. Ingrijpen of overgave. De middenweg van de karakterdeugden bepalen in een bepaalde situatie. Dat vereist morele verstandigheid.

Morele verstandigheid
Zowel het begrijpen van de middelen als het doel. Morele verstandigheid is niet instrumentele kennis voor doelen inzetbaar, maar de verstandigheid die zich ontwikkelt bij degene die het goede voor ogen heeft. Niet alleen het eigen welzijn, maar ook voor de gemeenschap. Een verstandig mens weet dat hij niet alleen voor zichzelf maar ook voor de gemeenschap moet zorgen. Aristoteles heeft het voornamelijk over de praktische rede. Toch wordt het denken om het denken zelf als het hoogste voorgesteld. Wijsheid is verhevener dan morele verstandigheid. De wijsheid is dan de hoogste realisering van het geluk. Eigenlijk iets goddelijks waarnaar te streven, aangezien een leven lang intellectuele beschouwing geen praxis is.

Plezier
Puur plezierleven is gelijk aan de dieren volgens Aristoteles. Toch komt bij het definiëren van geluk het plezier terug. Geluk zonder genot is absurd. Genot is echter niet het hoogste goed. Een conflict tussen het goede en het aangename is mogelijk. Plezier ontstaat als een activiteit optimaal kan worden uitgevoerd. Het vermogen daartoe is maximaal aanwezig en door niets gehinderd. Plezier is dus aan een activiteit gekoppeld. Elke activiteit heeft zo zijn eigen genot. Genietingen zijn dus onderling verschillend. In praktijk hebben we de indruk dat er een conflict is tussen het aangename en het goede, maar het is dan een conflict tussen het plezier dat bij twee activiteiten hoort. Hogere en waardevollere vermogens maken hogere en waardevollere activiteiten mogelijk en daarmee een hoger en waardevoller genot. Het genot van een ethisch goede activiteit is zelf ook goed. Wie goed handelt en denkt zal het hoogste genot ervaren en dat herkennen als het hoogste.

Ethica Nicomachea (EN)
Belangrijkste boek over ethiek van Aristoteles. Genoemd naar zoon Nicomachus. EN is vooral uitwerking van schetsmatige EE. Het zijn eigenlijk beide boeken die uitgeschreven aantekeningen bevatten van de hoorcolleges. Eerste hoofdstukken over Eudaimonia (geluk). Hoe goed is het menselijk leven. In laatste hoofdstuk de vraag wat het hoogste geluk is. Tussenliggende hoofdstukken gaan over deugdzaam leven, wat resulteert in geluk. Drie hoofdstukken over uitleg van verschillende karakterdeugden.