Ik ben

Ken je dat tintelende gevoel over je rug, vlak voordat er iets gebeurt? Kippenvel op je armen of een prikkeling op je voorhoofd en direct daarna valt er iets voor. Ken je dat? Ik wel. Mij gebeurde het. Ongelukje. In het verkeer.

Al fietsend wist ik dat er iets mis was. Hoewel ik het niet zag aankomen wist ik een fractie van een seconde voor de klap dat de klap zou komen. De klap kwam. Hard. Erg hard.

Van de ene kant van de weg vloog ik naar de andere kant. Geschept door een voortrazende taxi die even niet oplette. Het frame van de fiets was nauwelijks herkenbaar. Ik was ook niet herkenbaar. Zeker voor mezelf niet. Ik sliep. Ik sliep een hele diepe slaap.

Het was ook een donkere slaap. Als een reutelende wekker klonken de sirenes in mijn hoofd. Toch werd ik niet wakker. Niet echt. Het bleef pikdonker. Zonder tunnel met licht en zonder dat ik uit mijn eigen lichaam stapte, zoals verhalen ons leren.
‘Ik zal wel niet dood zijn dan,’ hoorde ik mezelf denken. Maar zeker wist ik het niet. Ik zweefde ergens. Op een stille plek, waar geluiden maar met moeite doordrongen. Het cogito ergo sum van Descartes leek opeens flauwekul.

Nog voor we het ziekenhuis bereikten was ik echter weer bij mijn positieven. Althans, ik denk dat. Het specifieke moment van overgang van de donkere leegte naar het wakker zijn herinner ik me niet. Voor hetzelfde geld werd ik niét wakker in die ambulance en zweef ik nog ergens rond en bedenk ik de wereld zelf. Sterker nog, misschien bedacht ik het ongeluk ook zelf en het onwaarschijnlijke overleven ervan ook.

Wel een populaire gedachte, van oudsher al binnen de filosofie; van Descartes met zijn beroemde stelling tot Jean-Paul Sartre of de bizarre wereld van Franz Kafka. In wezen gaat het erom hoe hoe je het bestaan ervaart. Existentie voorafgaand aan essentie.

Een concept dat door de filmindustrie mooi is uitgewerkt. In de filmcyclus The Matrix zijn alle mensen op sterk water gezet, verbonden aan een supercomputer die een fictieve werkelijkheid voorschotelt. De film Vanilla Sky laat iemand de werkelijkheid beleven als een soort droom terwijl hij ingevroren is. Een vergelijkbaar beeld geeft de film Inception, waar mensen op gekunstelde wijze in collectieve dromen kunnen binnentreden en het verschil tussen droom en werkelijkheid niet meer weten.

‘Onzin natuurlijk,’ hoor ik u zeggen, ‘onze zintuigen verschaffen ons de werkelijkheid.’ En gelijk heeft u. Hoewel, zintuigen geven deze werkelijkheid door aan onze hersenen, die alle informatie combineren met alles wat al in ons hoofd zit aan ervaringen en kennis. Dat maakt het een soort constant veranderend model van de werkelijkheid in ons hoofd. En per persoon verschilt het hoofd, dus de werkelijkheid. Om nog maar niet te spreken over de werkelijkheid die we niet kunnen vormen op basis van signalen waar we helemaal geen zintuigen voor hebben.

Ik begin ervan te zweten op deze mooie dag, waarop de gedachten zomaar wat binnenzeilden. Ik vraag mezelf af of die films dan toch gelijk hebben en ik ergens mijn leven lig te fantaseren. Ik let echter niet op en loop vlak voor de kamerdeur langs, die juist op dat moment zeer krachtig wordt opengezwaaid door mijn zoon. Met een luide, holle bonk loop ik met mijn hoofd tegen de deur en stort bijna ter aarde. Dit voelde ik duidelijk niét aankomen.

Wat versuft zie ik even later de grote blauwe ogen van mijn zoon vlak voor me.
‘Sorry pap,’ zegt hij. Hij kijkt erg lief.
Op de achtergrond begint Jan Smit op de TV aan een kwijlende carnavalskraker. Maar misschien is het voor hem een serieus nummer. Ik zie hem schalks wiegen met de heupen. Mijn zoon veert op, vergetend dat hij binnenkwam met een glas rode ranja. Kijkend naar de sputters op het plafond schiet ik in de lach. Nee, dit kan ik onmogelijk dromen. Gelukkig brengt Simon Carmiggelt uitkomst:

De werkelijkheid kan je niet opschrijven. Die is zo verbijsterend dat niemand het zou geloven.