Zittend op een bankje kijkt hij naar de vijver. Rimpelloos water weerkaatst zijn gedachten. Wie goed kijkt ziet ook het water uit zijn ogen, zich een weg zoekend naar zijn baard. Maar niemand ziet hem zitten.

De man is oud, erg oud. Hij zit er maar broos bij, alsof de wind hem elk moment van het bankje weg kan blazen. Misschien is dat ook zo.

Even verderop zijn de festiviteiten. Het is Bevrijdingsdag. De man glimlacht vermoeid naar het schouwspel. Mensen die zich volproppen met patat, de mayonaise die uit hun mond kwijlt wegspoelend met dood bier uit plastic bekers. Op de achtergrond schettert een band op een zwart podium. We zijn bevrijd.

Maar waarvan? De man vraagt het zich af, denkend aan de hel waar hij geweest is. De lugubere horror, zo ver weg van zijn huis, die nu weggespoeld wordt met dood bier uit plastic bekers. De mensen weten het niet meer. De wanhoop, de verzoeking, de pijn. Een enkeling, misschien. Maar er zijn niet veel over.

Het bier, het lallen, de feesten, de maskers die iedereen lijkt te dragen, de agressie, de frustratie. Er lijkt opnieuw een bevrijding nodig. ‘Er zou weer eens oorlog moeten komen, dat zou goed zijn voor de maatschappij!’ hoort de man regelmatig in zijn omgeving. Het verkilt zijn hart.

Elke avond drukt hij huiverend het journaal uit bij het zien van diezelfde horror in veel delen van de wereld. Hij vindt dat er niets veranderd is. Hij gaat dan maar naar bed en bekijkt zijn littekens op zijn bibberende lichaam. Het zijn er niet zo veel, maar hij voelt er meer. Als hij gaat liggen en trekt hij de dekens tot aan zijn neus. Hij vertelt het allemaal aan zijn vrouw in de hemel en valt huilend in slaap.

Als de wind een keer krachtig uithaalt, zoals dat begin mei nog kan, wankelt hij even. Instinctmatig grijpt hij zich vast. Hij denkt hoe het zal zijn als hij zou loslaten. Hij alles zou loslaten. Hij glimlacht weer bij die gedachte.

Wachtend op zijn bevrijdingsdag.

 

image421