Tijdens klussen in de woning plaatste ik onhandig een mokerslag tegen een dun gasbeton wandje. Een witte stofwolk trok door het vertrek, mij vol in het gelaat treffend. Aangezien ik verzuimd had tijdig naar de kapper te gaan, was ik plots voorzien van een wilde grijze haardos, alsof ik door doodsangst overmand gruwelen aanschouwd had.

Het gasbeton wandje toonde een flink gat. Grote brokken van het broze materiaal hadden losgelaten. Ik verwenste de moderne bouwmethoden en voelde heimwee naar de degelijke muren van bakstenen, waarmee huizen vroeger werden opgetrokken.

Ik spoedde me naar de bouwmarkt om materialen aan te schaffen om de schade te herstellen, mijn vrouw’s ontsteltenis eliminerend. Het uitzoeken der spullen ging snel. Het betalen echter niet. Een lange rij stond voor de enige kassa, die werd bemand door een scholier. Hij leek niet bijster gemotiveerd, afgaand op zijn handelingstraagheid en het af en toe verdwijnen van de wijsvinger in een der neusgaten.

Voor mij in de rij stond een jongetje, dat zich had omgedraaid en mij lang en ernstig opnam. Hij bezag mijn haardos en liet zijn blik afglijden langs mijn shirt met bruine vegen en mijn spijkerbroek, die bijeengehouden werd door opgedroogde verf en kit.

‘Jij bent niet erg schoon,’ zei hij, met een zuinig mondje, ‘en je haar is ook vies. Als ik vies haar heb door het voetballen, dan wast mama mijn haar.’
Hij keek misprijzend.

Meestal drukken begeleidende moeders dit soort vrijpostigheden doeltreffend de kop in, maar zijn mama had net spullen op de lopende band gelegd en raakte in een soort twistgesprek met de scholier achter de kassa.

‘Ik zal mijn mama vragen of ze mijn haar wast,’ zei ik maar. In gedachten zag ik het clowneske tafereel voor me, en glimlachte.
‘Je hoeft er niet om te lachen hoor,’ zei het jongetje, ‘want als papa zich niet wast op zondag en mama zegt dat hij stinkt, dan gaat papa ook altijd lachen.’
Na dit onverwachte intieme kijkje in zijn gezinsleven keek hij weer zeer ernstig. Schoon zijn leek me een serieuze zaak. Ik wist niks terug te zeggen, mijzelf bekijkend kon ik de vunzige eerste indruk onmogelijk herstellen.

Net toen ik me een inferieure volwassene met slechte voorbeeldfunctie begon te voelen onder zijn vorsende blik was zijn moeder net klaar met de twist en was de transactie afgerond. Ze schoof kind en winkelwagen langs de kassa. Sommige kassa’s hebben een nauwe doorgang, bang als het bouwmarktwezen is voor diefstal der goederen. De kar van moeder botste vrij hard tegen een opstaand randje. Een kartonnen doosje met behangplaksel viel op de grond en liet acuut het leven doordat het jongetje er doeltreffend op stapte.

Een poederwolk, die wel iets weghad van mijn gasbeton-nimbus, trof broek en schoeisel van het knaapje. Het kleurde mooi wit. Hij bekeek het resultaat enige ogenblikken met een grimmig leedwezen, zoals men boeren op het land ziet kijken naar een dode koe. Toen zette hij het op een doordringend huilen. Moeder was inmiddels rood aangelopen en zeulde hem geïrriteerd naar de uitgang.

Bij de deur keek hij nog even om. Naar mij. Ik kon een lach nauwelijks onderdrukken en had zin om hem Benjamin Franklin onder de neus te wrijven: Maak uw vingers schoon voor ge naar mijn smetten wijst.

Maar dat mag je niet doen als volwassene. Jammer.