Bij de bank

Opeens had ik teveel bankbiljetten in de portemonnee. Zeer uitzonderlijk, toegegeven. Maar ik wou er vanaf. Omdat ik al lang wild en onbezonnen geleefd had besloot ik de centjes naar de bank te brengen.
De ouwe lul.
Maar toen ik de biljetten in de automaat wou drukken deed de pas het niet.
Er kwam een meneer.
Nou ja, meer een jongeheer.
‘Mijn pas is stuk,’ zei ik maar.
‘Wat heeft u ermee gedaan?’ vroeg hij, mij scherp opnemend. Aangezien ik mijn kont er niet mee afgeveegd had, noch de autoruiten ermee gekrabd had aangezien het hoogzomer was, antwoordde ik : ‘Niets. Ooit werd de pas een keer geweigerd in dat apparaatje van jullie maar daarna deed ie het gewoon weer.’
‘Aha,’ zei de jongeheer, ‘ziet u wel, die pas was dus allang stuk!’
‘Nee hij deed het één keertje maar niet,’ zei ik voorzichtig.
Maar de meneer legde uit dat ik het geld kon storten met een andere pas maar dat het dan negen euro kostte.
Ik schoot in de lach: ‘Mooie handel, die pas krijg ik toch van jullie? Nu leg je het steeds bij mij neer. Trouwens hoe krijg ik een nieuwe pas. Ik wil op vakantie.’
Het meneertje reageerde verbolgen: ‘Ik wil u helpen. U legt de schuld bij de bank. U moet uw zaken op tijd regelen. Dan moet u het zelf maar weten, u bekijkt het maar.’
En hij beende langzaam weg, als een jonkheer flanerend op de boulevard.
Ik keek hem na, en zei niets. Want was het niet Godfried Bomans die zei: ‘Ook een veldheer spreekt men niet toe tijdens een slag.’