Bij de kapper (2)

‘Sorry, ik zeg niet zoveel,’ zei ik.
Het getik van de schaar, het gezoem van de tondeuse en de wat vochtige warmte in het vertrek deden me wat wegdoezelen.
Naast mij nam net een dame plaats, het deed mij opschrikken. Een dame op leeftijd. Het plaatsnemen bleek geen sinecure en met een luide kreun liet mevrouw zich in de stoel vallen. De monoloog die ze vervolgens startte verliep dermate staccato en afgemeten dat het mij voorkwam alsof ze een strafdictee voorlas aan een klas vol ondeugd.

‘Geeft niks hoor,’ zei de kapster, ‘vroeger durfde ik zelf bijna niks te zeggen en liet ik de mensen maar wat praten.’
Ik keek met een schuin oog naar de dame naast mij, die voortratelde als een op hol geslagen matrixprinter.
‘Zoiets?’ vroeg ik zacht.
Ze lachte.
‘Mevrouw heeft een hersenbloeding gehad, ze praat altijd zo. Een prachtmens.’
Ik schaamde me alweer voor mijn milde ergernis.

‘Je hoort zeker enorm veel van je klanten,’ zei ik, ‘ik denk dat iedereen wel tegen je aan zit te lullen en dat je zelf helemaal niet zoveel hóeft te zeggen, toch?’
Ze knikte.
‘Ja die verlegenheid gaat vanzelf weg,’ zei ze, ‘maar inderdaad hoor je hele verhalen. In het begin nam ik dat mee naar huis en lag ik er wakker van.’
‘Hoezo dan?,’ vroeg ik. ‘Zijn het zulke erge verhalen dan?’
‘Ja vaak wel,’ zei ze, ‘vaak blazen mensen even stoom af als ze bij de kapper zitten. Een half jaar geleden of zo had ik hier een man en die had een hele zware operatie gehad. Net toen ik me afvroeg of er wat ergs was gebeurd zag ik hem in het afsprakenboek staan. Gelukkig maar.’
Ik knikte.

Even later zei ze: ‘Maar dat is niet altijd zo. Een man die me vertelde dat hij net uit het ziekenhuis was en had gehoord dat hij kanker had kwam ook een hele tijd niet. Die heb ik toen opgezocht op Google. Die bleek toen wel overleden te zijn. Hij was toen al twee maanden dood.’
Ze keek er treurig bij. Volgens mij nam ze het nog altijd mee naar huis.
‘Ah wat erg,’ zei ik. Mijn antwoorden klinken in dit soort gevallen altijd als een zalfje dat zonder recept verkrijgbaar is.
Ze knikte.
‘Ja dat vind ik dan ook erg,’ zei ze, ‘ik probeer dat dan altijd maar weer weg te stoppen.’
De schaar viel op de grond.

‘Onthoud je alles van iedereen dan?’ vroeg ik. Het leek me een hele toer waar je een grote database met een goede indexering voor nodig had in je hoofd.
‘Ja eigenlijk wel,’ lachte ze. Ik heb een vakje voor iedereen in mijn hoofd. Daar stop ik de informatie in. Als je dan weer weg bent dan doe ik dat vakje gewoon dicht.’
Ik knikte. Ik dacht er even over na terwijl ze met de tondeuse de neklijn secuur scheerde. Een soort klaagmuur met deurtjes. Voor elk een ruimte. De kapster neemt je verhaal op en stopt het erin.

‘Maar je hebt ook hele leuke verhalen hoor!’ zei ze, alsof ze mijn gedachte las, ‘mensen die gaan trouwen of zo. Of kinderen die je verhalen vertellen over thuis of van school.’
‘Wel knap hoor,’ zei ik, ‘je moet wel een erg goed geheugen hebben om dat allemaal bij te houden.’
‘O maar het gaat ook wel eens fout hoor,’ lachte ze, ‘laatste vroeg ik hoe het was met Merel en toen keek die klant me heel erg verbaasd aan. Zijn dochter heette Jeannette, dus dat was even het verkeerde vakje, haha.’
Ik lachte ook, het leek me een makkelijk te verhelpen misverstand maar de bewuste klant was kennelijk zeer verbaasd geweest.
‘Nou je kan wel een boek met verhalen gaan schrijven,’ zei ik, ‘materiaal zat lijkt me. Elke dag een bundel bijna.’
Ze keek bedenkelijk.
‘Nee, schrijven is niks voor mij. En bovendien neem ik het dan ook mee naar huis.’

Het knippen was klaar. Ik betaalde en na het groeten keek ik door de etalage nog even naar binnen. Ze was mijn vakje aan het afsluiten zag ik. Ze knipte me wel vaker en ik was wel benieuwd wat ik haar nog meer verteld had in de loop der tijd. Maar die informatie was wel veilig, leek me.
Die van haar niet. Die schreef ik immers op.