Biljarten

In het gebouwtje van de buurtvereniging in Groningen, waar mijn zoon schaaklessen geniet, moet ik wachten op de gang, ten einde de lessen met mijn aanwezigheid niet te verstoren. Ik vind dat nooit erg. Wachten valideert ongegeneerd rondkijken.

In een naastgelegen ruimte zie ik twee oude heren biljarten. Net wil ik het bestaan van een buurthuis omstandig prijzen in mijn hoofd als een keiharde vloek me uit de mijmeringen rukt.

‘Zó’n makkelijke bal!’ hoor ik erachteraan. Een der oude heren windt zich kennelijk nog erg op. Bij nadere beschouwing zie ik dat dit heerschap zich ook nog niet neergelegd heeft bij het tellen der dagen. Een pront overhemd met hoge boorden siert zijn lichaam. Hij heeft het kledingstuk netjes bij de nieuwe spijkerbroek ingestopt en bruine glimmende puntschoenen completeren het geheel. Het kapsel is gedekt grijs.

Zijn toehoorder is van een heel ander kaliber. Berustender. Zijn gezicht staat neutraal, het laatste dunne haar valt vlassig langs zijn gezicht. De sjofele slobberbroek, van het onduidelijke materiaal dat oude heren nu eenmaal graag dragen, heeft zijn beste tijd gehad en onder de schipperstrui komt een vaal hemd de hoek omkijken. De man sloft ook rond het biljart, sterk contrasterend met de kloeke voetstappen van de bruine puntschoenen van zijn medespeler.

‘Schit-te-rend!’ roept de laatstgenoemde zeer pathetisch, ‘ik moet zeggen dat jij dat heel goed kan. Ja heel goed.’
De andere man heeft een hele zachte stem en mompelt wat terug.
‘Daar heb ik niks aan hoor,’ ontwaar ik.

Ze spelen nog wat verder. Af en toe ketst de keu van de drukke man keihard af op de bal. Hij vergezelt het van vloeken waarvan ik het bestaan niet wist. Ook laat hij af en toe een raspende boer. Het lijkt me niet zo’n beste biljarter. De suffige man daarentegen speelt rustig de ene na de andere carambole.

‘Deze bal kan niet,’ kweelt de grijze man op een gegeven moment.
‘Die bal kan wél!’ roept de bedaarde man verrassend fel, ‘als je zou kunnen biljarten! Kijk dan!’

Een aantal andere mensen kijkt met mij in zijn richting. De oude man ziet het niet. Met rode konen beent hij naar het biljart en duwt de pathetische man terzijde. Met één vloeiende beweging maakt hij feilloos de onmogelijke carambole.

‘Prachtige bal, werkelijk schit-te-rend,’ zegt de goed gesoigneerde bejaarde. Het klinkt een stuk oprechter. Een stuk zachter ook. Glimlachend krab ik in mijn haar. De mensen op de gang lopen verder.

De ware biljarter is weer volledig als voorheen. Het potje biljarten is klaar. Hij sloft naar zijn stoel. Moeizaam gaat hij zitten.

Buiten in de motregen heeft mijn zoon het hoogste woord. Hij was boos omdat zijn medespeler niet goed kon schaken en er een potje van maakte. Ik glimlach en denk even aan de oude man, die dankzij het buurthuis een golf van jeugdige ergernis door het broze lichaam voelde.

Wanneer ik me niet meer erger, ben ik aan mijn ouderdom begonnen, schreef een Franse schrijver.
Hoe waar.