Het pretparkje ligt in de bossen, verstopt tussen dorpen met namen die lijken op blaffende keelklanken. De rit ernaartoe leidt over vergeten wegen, door uitgestrekte weilanden met hier en daar een passant, die met open mond de auto nastaart.

Bij aankomst blijkt het woord ‘pretpark’ een eufemisme te zijn. Het was ontworpen door iemand die al lange tijd ter ziele is. Reeds bij de ingang treft de roest me, bij het vastpakken van het draaihek. En dat terwijl het corroderen der mechanische speeltoestellen tegenwoordig toch niet zal voldoen aan zeker een tiental voorschriften.

Maar niemand lijkt zich daarom te bekommeren. Ik veeg de modder van de bril, aangezien ik moest parkeren in een naastgelegen weiland. Stadse mensen kunnen dat niet en zitten spoedig vast in de modder. Ik ook. Als ik de auto aanduw en mijn vrouw veel te veel gas geeft, sta ik in een fontein van aarde en is de achterruit spoedig geblindeerd.

Gelaten staat de rij voor de kassa. Boeren op een vrije dag, met de zondagse corduroy pantalon aan. Moeders met boerenboezems in bloemetjesjurken. Maar ook de jongere generatie is aanwezig. Compleet met de moderne versieringen door wenkbrauw en tong. Met de bijbehorende, blauwige plaatjes op opgeblazen bovenarmen, die volledig worden aangespannen bij het voortduwen van de buggy. Granieten koppen, die verbeten voor zich uitkijken tot ze erin mogen. Vertier op een vrije dag. In een pretpark.

Na een uurtje vertier heeft mijn zoon, als uitgelaten expressieveling, reeds ruzie met de introverte leeftijdsgenoten, die het parkje rijk is. Jongens die elkaar allen kennen, ook weer zo verbeten kijkend. De vaders en moeders laten zich inmiddels ongearticuleerd horen. Botte klanken en hol bulderen, het zal alles te maken hebben met de veeltallig aanwezige lege bierglazen. Heineken staat erop, een kloek, Hollandsch merk.

Even verderop valt een jongen uit de piepende zweefmolen. Er is veel consternatie. De jongen bleek de veiligheidsstang niet vast te hebben gehad. Het meisje dat de zweefmolen bedient staat er schouderophalend bij, met een mond die niet dicht wil doordat er een heel pak kauwgom in zit. Ze kijkt wezenloos voor zich uit en de moeder loopt met de kermende jongen naar de uitgang. Zo, dat vertier zit erop.

Een oude man duwt een kind van de glijbaan omdat hij vindt dat zijn kleinkind aan de beurt is. Een vrouw met een dikke bips gaat in de draaimolen. Parmantig loopt een man met een kaalgeschoren hoofd, waaraan nog een kort paardenstaartje bungelt, met een gelijk uitziend zoontje naar het houten hokje met de toiletten, die reeds van verre te ruiken zijn.

Als even later mijn andere zoon uitglijdt over veel te gladde oppervlaktes in klimtoestellen zit ook ons vertier erop. Ook mijn zoon kermt en wijst voortdurend op de buil op zijn hoofd. De mensen aan de volgepakte picknicktafels kijken er niet van op. Ze zijn druk met de sigaretten. Mannen aan een andere tafel laten boeren.

Huiverend verlaat ik dit kafkaƫske toneel. Bij de ingang van het parkje heeft ondertussen een aanrijding plaatsgevonden omdat een wegwerker met een kraan gewoon midden op de weg bezig was. De man die de kraan bediende staat er schouderophalend bij, met een mond die niet dicht wil doordat er een heel pak kauwgom in zit. Hij kijkt wezenloos voor zich uit.

Ik begin te gillen en mijn zoons doen direct leuk mee. We rennen keihard terug naar de auto.

Maar daar lag immers die gladde modder.