Bomenrij

Stoïcijns in wind en regen
Statig wachtend, zij aan zij
Staat een lange bomenrij
Langs ’s Heeren wegen

Langs weilanden en velden
Bewakers van de grens
Volumineus en immens
Als grote houten helden

Als soldaten in het gelid
Gepaste afstand bewarend
Iedere jaarring vergarend
Tot hun tijd er eindelijk opzit

En als in de lente alles bloeit
En die ene dwarse jonge loot
Uit de rij springt tot bij de sloot
Wordt hij keurig weggesnoeid