Koffiebruin stond hij naast me, zwart met een klein scheutje melk. Hij was het niet van nature en had de kleur zorgvuldig verkregen door een net genoten vakantie.
‘Hoe is je nieuwe collega?’ vroeg de man die tegenover hem stond.
‘Ja, ach, zo’n zwarte,’ zei de bruine man, ‘hij doet geen reet.’
De andere man lachte vettig. Hij was zich er blijkbaar nog niet van bewust eigenaar te zijn van een recessief gen dat de huidskleur bepaalt en binnen een gegeven aantal jaren bakzeil haalt waardoor iederéén een kleurtje heeft.

Triest wendde ik mij af. Er zijn veel mensen die zich erg druk maken om de verschijning van Zwarte Piet tijdens een folkloristisch kinderfeest in december. De naam ‘Piet’ is van origine vrij Nederlands en in een historische context bezien waarschijnlijk niet toe te schrijven aan welke, van oorsprong gedwongen of vrijwillige, immigrant dan ook. Desondanks stoort men zich aan de onder breed publiek verspreide en vermeende karikatuur van niet-blanke mensen. Maar misschien is daar wel wat voor te zeggen; het blind vasthouden aan tradities met een veranderende samenstelling van de bevolkingsgroep en voortschrijding in tijd lijkt ook vrij zinloos.

Waar voor- en tegenstanders van Zwarte Piet echter aan voorbijgaan is dat het niet deze discussie is die racisme bepaalt. Het grootse en schreeuwerige vertoon van Zwarte Piet zal vast eens verdwijnen en zal worden bezien als een triomf voor een goede zaak, maar daarmee verdwijnt het racisme niet.

Een aantal mensen vond het noodzakelijk een attractie in de Efteling, waar zwarte mensen in voorkwamen, te verwijderen. Anderen wilden het woord ‘neger’ schrappen uit een dicteelijst op school. Zo zullen er meer voorbeelden volgen. Sommige zeer nodig in aanmerking komend voor aanpassing, andere wat vergezocht. In ieder geval zijn ze ook niet bepalend om racisme te stoppen.

Veel mensen menen dat ze in hun tradities worden aangetast, hoe fout die ook zijn. Ze schieten in de weerstand, waardoor het huidskleurverschil wordt benadrukt in plaats van weggelachen. Weliswaar leggen we racistische onderstromen bloot, maar het doel op zich is steeds het laten verdwijnen van zaken of uitingen die we aan de oppervlakte waarnemen. Bestrijding van racisme komt daarmee een beetje op het holle niveau van de televisie-uitzending waarin een persoon stelde: ‘Wij zijn hier niet racistisch, want we halen wel eens chinees.’

Als kind kreeg ik in 1970 een Surinaamse jongen in de klas, de enige op de hele school. Hij zat naast mij. Hij was mijn vriend. Ik kreeg veel vragen en hoorde veel opmerkingen. Ik snapte het niet en als kleine jongen van zes huilde ik er om. Ik zag alleen mijn vriend, velen zagen wat anders.

Een simpel en lullig voorbeeldje van twee dommige mannen uit mijn dorp laat al zien dat racisme doorgedrongen is tot in de kleinste haarvaatjes, voorzien van alle vooroordelen en benadeling. In een dorp, een winkel, een kroeg, een vereniging. Ik ken nog steeds bedrijven waar maar een enkel niet-blank mens rondloopt.

De Ziekte van Lyme gedraagt zich zo. De bacterie, opgedaan door een tekenbeet, dringt door tot diep in het lichaam, ver onder de oppervlakte. Met het oog niet waar te nemen, geen uiterlijke manifestatie. Testen lijken goed. Een crème op de plek van de beet smeren helpt niks. De beet wegsnijden helpt evenmin. De bacterie verspreidt zijn gif van diep uit het lichaam.

Racisme is van alle tijden en is een belachelijk construct dat uit hoofden van mensen moet. Groepsgedrag, waarbij de eigen kenmerken slechts goed zijn. Reeds op jonge leeftijd merkte ik het al. Heel lang dachten we dat het zo hoorde. Pretparken en kinderfeesten ten spijt; dát is de traditie die weg moet. Mensen met gelijke kansen en gelijke rechten, ongeacht welke kleur huid er over het skelet en de spieren zit.
Ik heb een droom, dat ooit mijn vier kleine kinderen in een land zullen leven waar zij niet beoordeeld zullen worden op hun huidskleur maar op hun karakter,‘ zei Martin Luther King. Hij zei het in een toespraak in Washington, in 1963.

1963. We leren niet.