Colporteur, een mooi vak

Al jarenlang zie ik, steevast op een woensdagmiddag in september, zoons fietsen met een grote enveloppe tussen stuur en hand geklemd en springt mijn hart weer open. Kinderpostzegels lopen. Even lekker colporteren.

Met de stukken brood nog achter de kiezen bellen we even later aan bij de eerste deur.
“Moet je ook kinderpostzegels?”, dreunt mijn zoon als eis op de stoep als de deur nog maar ternauwernood open is en een oude mevrouw argwanend door de kier tuurt.
“Goedemiddag,” zeg ik er maar eens achteraan, en zet mijn vriendelijkste gezicht op.

We komen elk jaar aan de deur en ik meen een lichte herkenning in de ogen van de vrouw te zien als ze besluit dat het goed volk is. Nadat de deur open is moet ik met de meegebrachte pen de bestelling noteren op de achterkant van de enveloppe. De gang geurt naar aardappels met bloemkool. Op de muur bij de kapstok hangt een groot portret van de hond.
“Zo, en nu nog even uw rekeningnummer,” zeg ik tegen mevrouw Timmer, haar naam heb ik net ingevuld.
“Eh, 544 3 eh, wacht even hoor, dat doet mijn man altijd,” zegt mevrouw Timmer, “hij zit aan tafel”.

En voor we het weten sloft ze door een tussendeur naar de achterliggende kamer. We vangen nog net een glimp op van hoogpolig tapijt en een ronde tafel met twee dampende borden warm eten. Door de glazen deur zien we twee mensen gebogen over iets op tafel. De man schrijft iets op een briefje.

Het duurt nog even, en buiten ginnegappen mijn zoon en ik naar elkaar. Het is mooi weer, een ijle lucht kondigt de herfst aan. We staan onder gouden bomen en in de verte ronkt een motor.
“Zo verkopen we niet veel, als het zo lang duurt,” poneert mijn zoon prozaïsch. Hij is wat nuchterder dan zijn oudere broer, die de zegels al naar speelgoedland heeft verwezen. Maar daar komt mevrouw Timmer al weer aan en ik schrijf het rekeningnummer over op de enveloppe. Na nog een bibberige handtekening in het daartoe bestemde vakje is de transactie afgerond.

“Het is het laatste jaar voorlopig, Willem gaat volgend jaar naar de hogere school,” meld ik nog even.
De ogen van mevrouw Timmer lichten op.
“O nou jongen, wél je best doen hè? Ja kinderen worden zo groot hè?” zegt ze in één zin tegen ons beiden.
Willem en ik knikken. We vinden Willem alledrie groot.

En zo gaan we weer verder. Een middag in september. Met mooi weer en bijna herfst. Met bloemkool en ginnegappen. Ik zal nog lang moeten wachten eer mijn twee nog veel jongere zoons toe zijn aan het colporteurtje spelen. Als we dan nog brieven met postzegels versturen natuurlijk.

Ik verheug me er nu al op. Colporteurs, je hoort er de wildste verhalen over. Ik vind het een mooi vak.

 
image311
 
2009