Cut!

Als ik de winkeldeur open treft een vochtige en bedompte luchtstroom mij vol in het gelaat. Aangezien het dunne haar alle kanten op springt, behalve de goede, had ik ’s ochtends nog een halve pot gel op de haardos gesmeerd. Door de luchtstroom in combinatie met de vele gel blijft mijn haar in één keer overeind staan en betreed ik als Don King de kapperszaak, zij het met minder grijze haren.

Het kleine vertrek wordt opgefleurd met drie kinderen die luidkeels indiaantje spelen. Althans ik neem aan dat ze dat doen, afgaand op de krijsende geluiden die worden onderbroken doordat de kinderen met hun hand steeds kort op hun mond slaan. Indianen schijnen dat heel vroeger te hebben uitgevonden. Ik vloek binnensmonds omdat ik vergat dat weer een of andere schoolvakantie werd ingeluid.

De kapper zweet zichtbaar. Hij is druk doende de kruin van moeder te kortwieken. Onder de hoog opgeheven armen tekenen zich grote donkere plekken af op het overhemd. Even denk ik aan vluchten, maar de indianen beletten dat inmiddels doordat ze hun kamp opgeslagen hebben tegen de voordeur. Als even later een nieuwe klant de deur opent, rollen de indianen over de stoep. De man ziet het tafereel even aan en maakt snel rechtsomkeert. Een sterkere geest dan ik.

‘Ik heb poep op mijn mouw!’ blèrt een der koters.
‘Getverdemme, kijk dan ook eens uit,’ vaart moeder uit. Ze kijkt daarbij met een ruk opzij naar het kind, waardoor de kapper een pluk haar van haar achterhoofd knipt die eigenlijk had moeten blijven zitten. Hij kijkt even opzij en onze blikken kruisen elkaar. Ik zie een diepe vermoeidheid in de ogen van de man. Dan knipt hij weer verder met vele korte knipjes, waardoor het gat in het haar meesterlijk gemaskeerd wordt. Na nog wat toupeertechnieken is moeder klaar.

‘U mag wel verder gaan met die meneer hoor,’ zegt de vrouw op mij wijzend. Ze kan de portemonnee niet vinden in de groot uitgevallen handtas. Je ziet het wel vaker bij vrouwen met handtassen. Benodigde meegezeulde spullen bevinden zich steevast helemaal onderin zo’n draagmiddel.

‘Dank u,’ zeg ik maar. Ik vind het toch fideel van haar dat de kapper verder mag gaan met zijn werk en ook ik geholpen mag worden. Ik zeg het echter iets te sarcastisch blijkbaar want ze kijkt me vernietigend aan. Even vrees ik een verbaal conflict, maar dan heeft ze de portemonnee gevonden. De betaling gaat snel gelukkig en als de deur in het slot bonst, vergezeld van de laatste oorlogskreten der kinderen, is het opeens onnatuurlijk stil.
‘Knippen?’ vraagt de kapper.

In serene rust knipt de schaar en zoemt de tondeuse. Je hebt van die kappers die het hele levensverhaal van je willen horen of zelf hun kapperleven voor je uittekenen. Deze kapper is vrij moe. Mooi rustig hanteert hij de kapperswaren. De klok tikt, de vloer kraakt, buiten hoor je af en toe een brommer en wat vogels, die indiaantje lijken te spelen. Het zullen wel kraaien zijn. Ze krijgen alleen de vleugels niet voor de snavels.

‘Het wordt wat donkerder,’ zegt de kapper.
‘Ja misschien komt er regen,’ zeg ik, licht opschrikkend uit mijn gemijmer.
‘Nee het haar. Het haar wordt wat donkerder.’
‘Ah ja.’
En de schaar knipt verder.

Met een enorme dreun zwaait de voordeur open. De moeder van zojuist staat in de deuropening en schreeuwt: ‘Hebben we hier een jas laten liggen?!’
Ik schrik. Met een ruk kijk ik opzij.
De tondeuse zoemt.