Er was eens een boe-roeper. Hij was altijd vrij boos en vond niet veel dingen leuk. Omdat hij niet veel dingen leuk vond riep hij altijd ‘Boe!’ zodat iedereen kon horen dat hij het er niet mee eens was.

Meestal deed hij het vrij hard, dat ‘Boe!’ roepen. Als hij er eenmaal mee begon deden de mensen de handen op de oren. Anders deed het geluid pijn. Niemand vond het ook leuk als de boe-roeper ‘Boe!’ riep. En helemaal niet als hij een slechte dag had en heel vaak ‘Boe!’ achter elkaar riep.

De boe-roeper had dan ook geen vrienden. Hij had wel eens een vriend gehad, die wat doof was en niet zo’n last had van het geluid van de boe-roeper. Maar op een dag wou die vriend eens aardig zijn en nam hij een cadeautje mee voor de boe-roeper. Die pakte het cadeautje uit. Het was een spinner. De boe-roeper hield de spinner in zijn hand en trok er een vies gezicht bij. Daarna gooide hij de spinner op de grond en ging er keihard op stampen. Ondertussen riep hij steeds ‘Boe!’ Ik denk dat de boeroeper niet van spinners hield. De beetje-dove vriend moest huilen en was daarna boos. Hij vertrok en zag de boe-roeper nooit weer.

Daarna was de boe-roeper dus alleen. Hij kookte alleen. Hij at alleen. Hij sliep alleen. Het rare was dat hij op den duur ook vaak ‘Boe!’ riep als hij alleen was. Hij kon niet meer stoppen met ‘Boe!’ roepen. Dat was wel eng, maar omdat hij alleen was had niemand daar last van.

Vervelender was het als de boe-roeper het dorp in ging om boodschappen te doen. In de supermarkt bekeek hij allerlei boodschappen, maar legde heel veel spullen weer terug in het rek. Daarbij riep hij telkens: ‘Boe!’
De mensen in de winkel schrokken daarvan en kinderen gingen huilen en wilden naar huis. De eigenaar van de supermarkt vond dat niet leuk, want zo gingen de klanten weg en kochten ze niks.

De eigenaar van de supermarkt wilde de boe-roeper niet meer in de supermarkt hebben. Toen hij het de boe-roeper vertelde riep die zó vaak ‘Boe!’ dat hij zich verslikte. De wijkagent moest erbij komen om de boe-roeper te kalmeren.

Toen de boe-roeper weer kalm was vertelde de wijkagent dat hij alleen de supermarkt weer in mocht als hij niet meer ‘Boe!’ zou roepen. Iedereen begreep namelijk heus wel dat ook boe-roepers moesten eten en drinken.
Maar de wijkagent was nog niet eens uitgesproken of de boe-roeper riep al weer tien keer ‘Boe!’

Goede raad was duur. Met buurvrouw Bartels werd afgesproken dat ze een keer per week bij de boe-roeper langs zou gaan om een lijstje met boodschappen van hem te krijgen. Die boodschappen zou ze dan ophalen en bij hem terugbrengen. Per week zou buurvrouw Bartels dan een tientje krijgen van de boe-roeper. Voor de moeite. En de boe-roeper zou een koptelefoon kopen voor buurvrouw Bartels. Die kon ze dragen als ze het boodschappenbriefje kwam ophalen bij de boe-roeper. Als die dan per ongeluk toch ‘Boe!’ zou roepen zou ze het niet horen.

Zo gezegd, zo gedaan. En warempel, dat ging goed. De mensen konden weer gewoon boodschappen doen en de boe-roeper ging niet dood van de honger en de dorst.
Maar nu zag de boe-roeper nóg minder mensen. Je zag hem nog wel eens op straat lopen. Als de mensen hem aan zagen komen gingen ze met een grote boog om hem heen. De boe-roeper had dat wel door en riep dan heel vaak ‘Boe!’ Maar de mensen stonden dan op veilige afstand en begonnen wat te lachen.

Als de boe-roeper met de bus wou dan stopte die niet eens bij de halte, maar gaf de buschauffeur juist gas zodat de boe-roeper niet kon instappen. Werken kon de boe-roeper natuurlijk ook niet. En als hij naar de tandarts moest kreeg hij al verdoving in zijn mond bij de voordeur, zodat hij niet ‘Boe!’ kon roepen in de wachtkamer en in de tandartsstoel.

Maar de boe-roeper hoefde bijna nooit naar de tandarts of de dokter. Het was een grote, sterke kerel en hij mankeerde nooit wat.

Nou ja, nooit wat. De boe-roeper voelde zich erg eenzaam en dat werd steeds erger. Nu zou je zeggen waarom stopte de boe-roeper dan niet gewoon met ‘Boe!’ roepen.
Maar niemand wist dat. Ook de boe-roeper zelf niet. Mensen in het ziekenhuis hadden de boe-roeper een keer narcose gegeven en hem helemaal onderzocht, van top tot teen. Maar ze konden niks vinden. Het ‘Boe!’ roepen zat gewoon in zijn hoofd en dat kon er niet weer uit. Toen de boe-roeper weer bijkwam uit de narcose riep hij zó vaak ‘Boe!’ dat de pas geboren baby’s op de vierde verdieping van het ziekenhuis allemaal begonnen te krijsen. Daar hielp geen koptelefoon van buurvrouw Bartels tegen. De boe-roeper ging toen maar snel naar huis.

Zo verstreken een paar maanden. De mensen zagen de boe-roeper steeds minder. Sommigen vergaten hem zelfs. Maar op een dag zag postbode Van Epscheuten de boe-roeper op een weggetje liggen. Huilend.

Dat was te erg en veel mensen uit het dorp gingen naar de voetbalkantine om de zaak te bespreken. Op deze manier zou de boe-roeper doodgaan van ellende en dat leek de meeste mensen in het dorp geen goed idee. Men vergaderde en vergaderde, tot alle koffie op was en het toilet verstopt zat.

Op dat moment had de voorzitter van de voetbalclub een enorm goed idee. Hij zou de boe-roeper een contract aanbieden. Toen de voorzitter dat zei dachten de meeste mensen dat de voorzitter dronken was. Maar dat kwam ook omdat de voorzitter Biermans heette en de mensen hem daar graag mee plaagden.

Biermans legde uit dat de boe-roeper elke thuiswedstrijd op de tribune mocht zitten en ‘Boe!’ mocht roepen. Op de televisie zag je dat immers ook vaak genoeg. De tegenstanders zouden het maar vervelend vinden en zo zouden ze elke thuiswedstrijd mooi kunnen winnen. Als de boe-roeper ‘Boe!’ zou roepen als ze zelf aan de bal waren dan wisten de spelers wel dat het de boe-roeper was. Hun eigen boe-roeper. Dat zouden ze natuurlijk niet erg vinden. De boe-roeper zou natuurlijk niet mee kunnen naar uitwedstrijden, want hij kon bij niemand in de bus of de auto. Maar dat gaf niks.

Zo gezegd, zo gedaan. De boe-roeper zag je elke twee weken in het stadion. Hij riep zo hard ‘Boe!’ dat de club elke thuiswedstrijd won. De mensen waren dan erg blij en ook erg blij met de boe-roeper. De boe-roeper kwam zelfs op de televisie, waarbij vooraf wel werd gewaarschuwd dat de mensen thuis de tv wat zachter moesten zetten.
Zo kwam het toch nog goed met de boe-roeper.
Hij was gelukkig.

 
 
Voorlezen op school bij Hessel,
Juni / 2017