’s Anderendaags wou ik af van het oude vehikeltje. Het afgeragde voertuig. Ooit zo trots aangeschaft en nu tot schroot verreden. Eens zo glimmende trots stond nu met een hangbuikje te zuchten onder de carport. Tijd voor afscheid. Argeloos betrad ik winkel die voorzien was van veel ramen en auto’s.

De verkoop van auto’s lag op zijn kont, maar desondanks bleken de verkopers vastgelijmd aan de stoelen bij het betreden van de showroom. Ik had al gehoord dat je bij het aanschaffen van een andere auto niet je oudste kloffie moest aantrekken omdat verkopers dan denken dat je een niet al te serieuze koper bent en je dus wordt afscheept met een te lage inruilprijs voor het oude bakkie en opgescheept met een te duur nieuw koekblik.

Nee, aan de kleding lag het niet. Toch bleven ze zitten. Koffie drinken. Een beetje slappe bakken tappen. Een sluikse blik onder de wimpers vandaan had me toch reeds afgeschreven als potentieel koper of gereduceerd tot aanschaffer in een segment waar geen eer te behalen viel.

Ik drentelde voort. Deskundig bekeek ik de lak van diverse voertuigen. Met een inspecterende blik in de ogen schopte ik voorzichtig tegen een aantal banden, om de spanning te controleren. Ik opende portieren en nam plaats in veel te dure karretjes. Toen ik me echter uit een heel klein wagentje wurmde, bleef mijn arm haken en drukte ik krachtig op de claxon. Hoewel het autootje klein was zou de claxon het goed doen in een vrachtwagen. De koffie van de verkopers gulpte over de randen van de bekers. Van de schrik.

Daar kwam een verkoper.

‘Eventjes rondkijken?’ vroeg de gladjakker op een toon alsof ik opoe was, die met een tas bloemkool op de markt liep.
‘Nou nee, ik blief wel een wagen,’ antwoordde ik, alsof het een half gesneden wit betrof.
De verkoper fronste even de wenkbrauwen, waarop ik dat ook deed. Zo keken we elkaar even aan.
‘Is uw oog al ergens op gevallen?’ vroeg de man.
‘Ja, die groene daar leek me wel wat,’ zei ik, wijzend op een voertuig van een jaar oud, middelmatig van grootte en, volgens het bijbehorend bordje op een paaltje, een zeer zuinig vervoermiddel.
‘Een hele fijne wagen,’ antwoordde de verkoper en zijn glimlach verscheen zó plotseling op zijn gelaat dat het leek of iemand het licht aanknipte.

Na enig soebatten en verbale plichtplegingen maakte ik de man duidelijk dat ik een emotioneel afgeschreven machine meebracht om in te ruilen. De glimlach verdween even abrupt weer als hij kwam, alsof hij door een wesp werd geprikt. Zijn gezicht betrok en hij zei:
‘Ja meneer. Maar de aanbieding die u hier ziet staan is zo verschrikkelijk scherp, dat we daar als garage nagenoeg niets op verdienen. Die prijs wordt ons ook door de neus gedrukt door het merk zelf. Als ik daar op in moet ruilen dan kan ik niet zoveel voor uw auto geven. Dat zal de handelswaarde zijn, of misschien nog lager. Bovendien brengt u wel een grote auto mee. Zeer incourant op het moment. Ik zal de auto moeten doorspelen naar een handelaar, ziet u? Wij zetten hier alleen het eigen merk neer. En tja, het loopt naar het einde van het jaar, altijd een rare tijd. Maar goed, als u deze auto aanschaft heeft u altijd een goede restwaarde, dat valt bij een ander merk nog maar te bezien.’

Tijdens deze volzinnen had ik het bakje bittere koffie geleegd en onderdrukte een boertje.
‘Zegt u maar wat ik moet bijleggen, daar draait het uiteindelijk toch om,’ zei ik gemelijk.
‘Nou,’ zei hij, ‘dat weet ik niet. Als u op zoek bent naar de hoogste inruilwaarde gaat u voorbij aan de kwaliteit van het product dat u wilt aanschaffen.’
Ik schrok op, want ik vond het best een goede uitspraak. Ik schakelde enige hersencellen bij en liet de overpeinzing over de wereldvrede even voor wat die was.
‘Maar als u wilt, wil ik wel een sommetje maken voor u hoor…’ zei de verkoper. Hij keek nog steeds niet blij.
‘Als ik u niet ontrief,’ zei ik maar.

Even later kwam hij terug en nam plaats tegenover mij. Hij hield een papiertje vast en met een geheimzinnig gezicht zette hij er enige krabbels op. Hij vouwde het papiertje in zijn handpalm en zei:
‘U moet goed denken aan wat ik net zei. Het scherpe aanbod, de lage marge en de incourante auto. Ik kom hier op uit.’

En heel langzaam schoof hij zijn hand over de tafel naar mij toe. Het papiertje lag onder de hand. Heel langzaam bewoog de hand in mijn richting. Ik moest met kracht mezelf weerhouden om niet keihard “Waarheen Waarvoor” van Mieke Telkamp te gaan zingen. Eindelijk was het papiertje bij mij aangeland.

‘Kijkt u maar even,’ zei de verkoper. Ik lachte. Ik vond het een geweldige show.
‘WAT? 8000 EURO BIJBETALEN?’ riep ik veel te hard door de showroom, na het bekijken van het vodje.
Ergens kletterde een lepeltje op de grond.
De man kleurde tot aan de haarwortels en keek geschrokken en geheimzinnig om zich heen.
‘Ssst, niet zo hard,’ maande hij, ‘ik had u toch gewaarschuwd?’

‘Bedankt voor de moeite,’ zei ik en ik stond op. ‘En dank voor de koffie.’
De verkoper stond ook op. Hij haalde de schouders op.
Bij de deur keek ik nog een keer om. Vreemd genoeg zag ik hem in de auto stappen die ik eerst ambieerde. Maar toen dacht ik aan Bram Vermeulen die zei:

Een auto is een vrij comfortabele zitplaats van waaruit je je medemens de huid kan volschelden.
 
 
sale
 
2012