De oude, grote klok tikt. Langzame, zware tikken. Af en toe schuift de ketting, waaraan het gewicht hangt, een tandje op. De klok kraakt dan een beetje. Als het half twaalf is klinkt er een galmende klank door het vertrek van vijf bij vier.

Ze schrikt er wakker van. Langzaam kijkt ze op. Door troebele ogen kijkt ze naar het gordijn, dat ze vanmorgen niet helemaal goed open heeft gedaan. Het hangt met de punt aan de Hertshoorn. Ze schudt het hoofd. Tenminste, ze schudt het wat harder dan de standaard beweging die sinds kort vanuit haar nek schijnt te komen. Ze lijkt op het hondje op de hoedenplank in de eerste auto van haar vader. Een NSU.

Een traan drupt uit haar ooghoek. Ze heeft het steeds vaker en vindt zichzelf dan een mal wijf. Hoewel ze niet meer weet waar ze gisteren naar keek op de televisie, ziet ze nog haarscherp een tuin vol bruingele herfst. Ze danst als klein meisje in de wind op Charleston muziek; een klein meisje in haar zijden jurkje. Het lijkt soms of er een groot gat zit in haar herinneringen over vroeger en de dingen die korter geleden zijn.

Langzaam staat ze op. Met het looprek strompelt ze naar de tafel. Op het pluche kleed ligt de brief, naast de foto van Hendrik met de kleinkinderen.

Hendrik. Ze miste hem nu zó erg. Hij had wel geweten wat er nu gedaan moest worden. De meneer van het tehuis had de brief gisteren aan haar voorgelezen. Ze dacht dat hij Wallers heette, of Waalders. Hij had veel mensen brieven voorgelezen. Ze had al geweten dat het niet goed was, mensen van het tehuis kwamen niet zomaar behulpzaam langs om brieven voor te lezen. En helemaal niet meneer Waalders, in zijn beste pak. Hij had de bedrukte mededeling gedaan dat er geen plaats meer was in het tehuis. En vooral geen geld meer. Dat ze allemaal weg moesten. Dat het hele tehuis dicht ging. Gewoon dicht. En dat meneer Waalders alles zou doen om te zorgen dat ze goed terecht kwamen. Maar dat het wel jammer was dat haar buurvrouw Ans naar een ander tehuis zou gaan.

Maar waar moest ze heen? Waar moest ze nu nog heen? En dan ook nog zonder Ans, haar steun en toeverlaat. Als je de oude Hertshoorn zou verpotten, ging hij gewoon dood. Sommige dingen moet je laten rusten. Ze huilt.

Moeizaam gaat ze aan tafel zitten. Hulpeloos kijkt ze rond in het zo vertrouwde vertrekje. Het gepunnikte werkje van haar kleindochter. De fotocollage van Bert en Katrijn. Het smyrna tafelkleed. De kraantjespot. En de klok.

De oude, grote klok tikt. Langzame, zware tikken. Af en toe schuift de ketting, waaraan het gewicht hangt, een tandje op. De klok kraakt dan een beetje. Verder klinkt er geen enkel geluid in de kamer. Ze zit roerloos. De hele kamer is roerloos. Er klinken nog acht tikken.

Dan staat de klok stil.