De verjaardag (2)

Als mijn zoon zes jaar dreigt te worden is het huis ruim van te voren al in rep en roer. Als je zes jaar wordt is het immers een evenement van wereldformaat. Nieuwsberichten over het niet doorgaan van de Elfstedentocht en dictators, die het eigen volk afslachten, zijn naar de achtergrond verdrongen.

Er zijn discussies aan tafel wie er mee mag langs de lokalen en wie assisent-hulpje in de klas mag zijn. Er verschijnen lijstjes met namen van genodigden voor het kinderfeestje. Keuzes, die je met zorg moet maken.
“Ja maar als Martin ook hulpje is, dan wil ik dat Chris meegaat langs de klassen!” oreert mijn zoon. Zes jaar is duidelijk een leeftijd waarop je nog rekening houdt met anderen.
“En komen Martin en Chris ook op je feestje dan?” probeer ik, om enige duidelijkheid te krijgen omtrent het aantal porties patat dat ik moet reserveren in De Apenkooi.
“Ja natuurlijk. Dombo.”
Zes jaar heeft ook zo zijn nadelen. De mond, die opgezet wordt, is al beduidend groter. Ik doe net of ik het niet hoor.
“Ja oke. Net zoals Lodewijk zeker,” inventariseer ik onverstoorbaar.
“Nee, die niet!! Die komt niet!” zegt mijn zoon, zeer heftig.
“Ja maar, je was toch ook op zijn verjaardag?” zeg ik zwak, verplichtingen scheppend.
“Nee ik wil het niet. Lodewijk is saai!” roept mijn zoon verbolgen. Ik denk dat Lodewijk een slechte beurt heeft gemaakt recentelijk. Ook stel ik mijn mening over de rekenschap met anderen drastisch bij.

Op de dag zelf staat hij om half zes aan mijn bed. Carpe Diem staat in de kinderwereld hoog in het vaandel.
“Ik wil nu de cadeaus!” roept hij blij, alsof hij regel 1 van een programmablaadje leest. Ik probeer nog even te rekken door hem fluisterend te feliciteren en hem lekker dicht tegen me aan te trekken. Maar het sterke jongenslichaam wringt zich los uit mijn houdgreep. De judolessen werpen duidelijk vruchten af.
Zo staan we met het voltallige gezin om kwart voor zes in de kamer te zingen. Hij heeft de wangen rood en zijn blauwe ogen glinsteren voluit in het lamplicht. De fiets, die in een hoek van de kamer staat opgesteld, is helemaal goedgekeurd.
“Nou heb ik wel maar twee cadeaus,” klinkt het nog wat peinzend. Het zonder remmingen grenzenloos openen van cadeaus is zo diepgeworteld in elk kind, dat het toch even bovendrijft, zoals de badeend die je even onder water houdt en dan loslaat. Maar het hoofd is te druk, en even later rent hij met zijn broer door de kamer, achter de ballonnen aan.

Vol vuur komt hij uit school. Juf heeft er een prachtige morgen van gemaakt en luidkeels vertelt hij de verhalen, zoals hij bij aanvang van de schooldag luidkeels de thuisverhalen aan juf vertelde.
Tijdens de verjaardagvisite houdt ik hem goed in de gaten. De energie slinkt zienderogen en op een onbewaakt moment tref ik hem in een hoekje van de kamer, starend naar een filmpje op de computer. Hij kijkt naar me op met een vermoeide, lieve lach. Diezelfde tevreden glimlach zie ik ’s avonds als hij in bed ligt, uitgeteld.
“Vond je het een leuke dag?” vraag ik. Hij knikt.
“Ja,” mompelt hij rozig, “en nu ben ik zés, hè?”
Want in de wereld der kinderen is elk streepje er een. Een kind van zes staat hiërarchisch mooi boven een kind van vijf, dat snapt u ook wel. Pas later krijgt hij te maken met het gedonder van rangen en functies.

“Wow,” denk ik, als ik even later voor de badkamerspiegel sta en mijn oude kop bekijk, “zevenenveertig streepjes, dan ben ik toch nog belangrijk.”
Maar dan komt Simone de Beauvoir met korte metten:
Een man is altijd zo jong als hij zichzelf voelt, maar zelden zo belangrijk.

 
 
 
2012.