De Wegenwacht

Aangezien de auto van mijn vrouw een lampje op het dashboard deed branden dat voorheen niet brandde, kreeg ik het instructieboekje van het vervoermiddel in de handen gedrukt. Zo scheiden wij de taken wat thuis.

De instructies in het boekje waren echter verre van volledig. Ze lieten in het midden of het branden van het lampje noopte tot onvoorwaardelijk stilhouden of dat er verder gereden kon worden met een schappelijke inachtnemning van enige voorzichtigheid.

‘Dan bel ik de Wegenwacht,’ zei mijn vrouw na mijn gebruikelijk schouderophalen als oplossing van een probleem. ‘Ik ben tenslotte gold-member,’ voegde ze toe. Aangezien we gewoon thuis zaten op de bank haalde ik andermaal de schouders op, als non-verbale instemming. Niks zeggen is ook wel eens lekker. Bovendien wil ik altijd gold-member zijn wat wat dan ook en ging daarover nadenken.

Op de achtergrond hoorde ik haar bellen met de meldkamer, een verblijf waar ik jarenlang te vinden was als medewerker van de landelijke autoclub. Ik mijmerde verder over zwaar bebrilde coördinatoren, praatpalen en TT-drukte; het was een leuke tijd.

Even later ging de bel. De storing bleek een futuliteit te betreffen, waardoor je je als leek een pummel voelt. Het maakte de wegenwachter niet uit. Nadat ik hem de grove eeltige hand had gedrukt reageerde hij enthousiast op mijn aanbod om koffie te schenken.

‘Goed dat u belde hoor. Beter dan dat je doorrijdt als je niet weet wat er is. Ik heb trouwens uw olie gelijk even gecontroleerd. U moet trouwens even opletten want ik vermoed dat u een marter op bezoek heeft gehad. Ik heb de boel schoongemaakt en wat spray op de plek gespoten.’

Mijn vrouw vroeg of hij het niet koud had en of hij niet even binnen wilde koffiedrinken. Het herfstte behoorlijk en de man stond gewoon in zijn ANWB-trui.

Hij lachte. ‘Heerlijk, die buitenlucht. Je bent lekker onderweg en treft steeds andere mensen, wat wil je nog meer? Ja af en toe een nachtdienst, maar ach.’
Hij zag er tevreden uit. Elke werkgever zou genoeg hebben aan het beeld van deze man.

Ik vertelde nog even dat ik voor de club had gewerkt, maar na enig onzinnig herkennen van namen die we beiden kenden bleken onze carrières elkaar toch gekruist te hebben. De eeltige hand kneep mijn hand opnieuw fijn. Toen was hij weg.

Wegenwacht. Oude liefde roest niet.