Middenin de nacht was het stil. Heel stil. En het was ook donker. Heel donker. Het was zó donker dat je je eigen hand niet eens kon zien, ook al hield je hem vlak voor je ogen. En het was zó stil dat het geluid van een mug leek op het geluid van een vliegtuig.

Joep lag in bed en deed het dekbed helemaal over zich heen. Middenin de nacht was hij wakker geworden van een geluid. Maar hij wist niet wélk geluid. Het enige geluid dat hij nu nog hoorde was het geluid van zijn eigen adem. En hij hoorde een vliegtuig. O nee, het was een mug.

Joep was een beetje bang. Hij hield niet zo van het donker. Je kon dan niet zien of er wat engs was in de kamer. En misschien was er nu wel wat engs in de kamer dat hij niet kon zien! Een monster. Of ome Henk. Of een spook of een slang of zo!

Joep kroop nog wat dieper weg in bed. Zou hij papa roepen? Die zou hem vast wel horen. Dan zou hij mopperend uit bed komen, het licht in de gang aanknippen en met veel lawaai naar Joep’s kamer komen om te vragen wat er nú weer aan de hand was.

Het leek Joep een prima idee! Hij deed het dekbed van zijn gezicht af en deed net zijn mond open om heel hard ‘Papa!’ te roepen, toen hij hoorde:
‘Dag Joep. Kun je me helpen?’

Joep schrok zich dood! Zijn mond klapte weer dicht. Eigenlijk wou hij gaan huilen. Van de schrik.
‘Niet zo bang zijn, Joep. Ik ben maar een klein mannetje en ik heb je hulp nodig,’ hoorde Joep in de kamer.
‘Wacht, ik doe wel een lampje aan, dan is het niet zo eng,’ zei het stemmetje. Want het was eigenlijk maar een klein stemmetje.

Het lampje bij de lego ging aan. Joep deed snel zijn kussen op zijn gezicht en voorzichtig keek hij, onder de rand door, zijn kamer in.
Hij zag niks!
‘Hier ben ik,’ zei het stemmetje, ‘hier bij de lego!’
Joep keek naar de hoek van de kamer waar de lego lag. Bij de lamp. Hij zag nog steeds niks.

Met een wilde ruk sloeg hij het dekbed van zich af. Het viel op de grond, maar Joep zag dat niet. Hij zat rechtop in bed en zag een hele kleine beweging bij de lego.
‘Kun je even opschieten Joep!’ riep het stemmetje, ‘ik zit behoorlijk vast!’

Nu sprong Joep uit bed en liep met grote passen naar de lego.
En toen zag hij hem!

In de brandweerauto, die hij gisteren nog met papa had gemaakt, zat een heel klein mannetje. Nou ja, mannetje. Hij had wel een hoofd en armen en benen, maar was verder helemaal geel. Hij had een belachelijke rode helm op en hij had een groen pakje aan. Hij had blauwe ogen en in zijn mond zat maar één tand.

Joep lachte. Hij was helemaal niet bang meer. Hij pakte de brandweerauto en hield hem op de kop. Schreeuwend viel het mannetje uit de auto. Gelukkig viel hij op het kleed. Op zijn kont.
‘Voorzichtig Joep! Je doet me pijn!’ Het kleine mannetje moest bijna huilen, zag Joep.
‘Stil maar,’ zei hij gauw.

Het mannetje wreef even in zijn ogen en wreef toen over zijn bips. Hij zette de rode helm weer recht.
‘Gelukkig dat je me kon zien,’ zei hij, ‘grote mensen kunnen ons niet zien, weet je dat?’
‘Waarom niet?’ vroeg Joep.
‘Weet ik niet zo goed,’ zei het kleine mannetje, ‘alleen kinderen zien ons. Ja, grote mensen zíen ons wel denk ik. Maar ze gelóven niet dat ze ons zien. Zoiets.’
‘Wel een beetje ingewikkeld,’ zei Joep.

‘Hoe heet jij eigenlijk?’ vroeg Joep.
‘Knarf,’ zei het mannetje.
‘Ik heet Joep,’ zei Joep.
‘Nog bedankt Joep,’ zei het mannetje. Hij wreef over zijn kleine beentjes.
‘Je zat wel behoorlijk vast zeker,’ zei Joep.
‘Ja dat kwam door mijn broers,’ zei het mannetje.
‘Heb je broers dan?’ vroeg Joep verbaasd.
‘Ik heb honderd broers,’ zei Knarf.

Joep ging maar even zitten. Hij kon het bijna niet geloven.
‘Honderd broers?’ vroeg hij zachtjes, ‘waar zijn die nu dan, die honderd broers?’
‘Oh, hier onder de vloer natuurlijk,’ zei Knarf, ‘maar ik denk trouwens dat ze nu onder de vloer in de keuken zijn. Ze hebben honger, weet je. We hebben al een paar uur dromen gezaaid.’

Het ging allemaal wat te snel voor Joep. Eerst een klein, geel mannetje. Dan honderd broers onder de vloer. En dan dat dromen zaaien.
‘Wat is zaaien?’ vroeg Joep, in zijn haar krabbend.
‘Zaaien doet de boer ook,’ zei Knarf, ‘je stopt een zaadje in de grond en die gaat dan groeien. Ik en mijn broers doen dat met dromen.’
‘Zit een droom in een zaadje dan?’ vroeg Joep verbaasd.
Dat kon toch nooit!
‘Haha nee hoor. Maar het lijkt er wel een beetje op,’ zei Knarf. ‘De dromen zitten in onze adem. Die blazen we in de mensen. Door hun neus.’

Joep dacht er even over na.
‘Ik heb ook gedroomd zonet,’ zei hij, ‘heb jij mij dan die droom gegeven?’
‘Wat slim Joep,’ zei Knarf, ‘maar dat hoeven we niet te doen. Kinderen dromen zelf. Grote mensen niet. Die zijn veel te serieus, ze lachen veel te weinig. Die kunnen niet zelf meer dromen. En dromen zijn wel belangrijk, want je wordt er vrolijk van.’
‘Dan wou ik dat papa ook ging dromen,’ zei Joep, ‘papa lacht al heel lang niet meer en zegt vaak zo weinig. Niemand vindt hem meer zo lief want hij is ook vaak boos. En ze pesten hem ook. Op het werk. Maar ík vind hem wel heel erg lief.’
Joep keek verdrietig.
‘Maar daarom zijn we hier toch ook joh!’ riep Knarf vrolijk.
‘Kom, ik zal je het laten zien!’

Voor Joep het wist sprong Knarf op, kreunde even omdat zijn beentjes nog zeer deden, en rende snel naar de deur. Hij kroop er gewoon onderdoor!
Joep volgde hem en deed heel zachtjes de deur van zijn kamer open. Hij wilde niet dat papa hem zou horen. Die zou een verhaal over een klein, geel mannetje, dat met honderd broers dromen zaaide, toch maar niet geloven. Nee, hij liet papa lekker slapen. Het keiharde gesnurk uit papa’s slaapkamer vond hij wel een prettig geluid.

In de donkere gang knipperde Joep even met zijn ogen. Gelukkig was het volle maan, en in het licht dat door het raam kwam zag hij Knarf bovenaan de trap staan. Net wou hij hem voorzichtig oppakken, toen hij zag dat er uit de groene trui van Knarf een grote vleugel kwam. Hij snapte nu waarom Knarf die rare rode helm op had, want opeens sprong Knarf gewoon van de trap af!
Maar door de vleugel zweefde hij langzaam naar beneden. Daar vouwde hij de vleugel een beetje op en stopte hem weer onder zijn trui. Hij keek omhoog en zwaaide naar Joep. Die liep langzaam naar beneden.

Toen ze in de keuken waren glipte Knarf door een scheur in de vloer. Toen was hij weg! Joep wist even niet wat hij moest doen. Hij zat nog na te denken toen hij zag dat Knarf terug kroop door de scheur in de vloer. Maar toen hij rechtop stond kwam er nóg een mannetje. En nóg een, en nóg een en nóg een. Bijna vijf minuten lang kwamen er mannetjes tevoorschijn, tot de hele keukenvloer vol stond met kleine gele mannetjes met rode helmpjes op. Honderd mannetjes.
Plus Knarf.

Joep kneep in zijn eigen arm omdat hij dacht dat hij droomde. Alle mannetje begonnen te lachen. Dat klonk nog best hard en snel waren ze weer stil, omdat anders papa wakker zou worden. Maar gelukkig klonk boven zijn keiharde gesnurk nog. Het klonk als die ene avond, toen het zo onweerde heel ver weg.

Knarf zwaaide weer naar Joep. Joep kwam dichterbij. Knarf zei: ‘Nu kun je zien hoe we dromen zaaien. Maar je moet wel heel zachtjes doen. En je moet beloven dat je nooit iets aan iemand verteld. Dromen zaaien moet geheim blijven, anders werkt het niet meer.’
Knarf keek heel serieus en leg een vinger op zijn lippen en zei: “Ssstttt.”
Alle broers op de keukenvloer zeiden ook: “Sssstttt,” zodat het leek of buiten een band van een vrachtwagen lekgeprikt werd. Onmiddellijk waren alle mannetjes weer stil. Daarna lachten ze zachtjes en sloegen elkaar zachtjes op de schouders onder het lachen.
Het was wel een vrolijke boel. Joep lachte ook.

Alle mannetjes klapten hun vleugel uit en ze zweefden langs de trap naar boven. Joep volgde ze voorzichtig. Ze vlogen onder de deur door van papa’s slaapkamer. Heel, heel voorzichtig deed Joep de deur open, maar de deur kraakte hard!
Heel even hield het gesnurk van papa op. Zou papa wakker worden?

Joep bleef even stokstijf staan en hield zijn adem in. Papa draaide op zijn rug en…. begon weer te snurken.
De mannetjes klommen op zijn bed en wel twintig mannetjes stonden op zijn borst en liepen tot vlak onder zijn kin. Knarf stond óp de kin van papa. Joep vond het best spannend en ook wel een beetje eng. Het was zíjn papa en ze mochten papa geen pijn doen!

Maar Knarf stak zijn arm al op en alle mannetjes haalden heel diep adem. Allemaal precies tegelijk. Toen bliezen ze allemaal heel zachtjes en heel lang hun adem richting de neus van papa. De lucht die ze uitbliezen was zilver van kleur. Ze hadden zilveren adem. Als papa inademde verdween hun zilveren adem in de neus van papa.

Joep vond het toch te eng. Net wou hij naar papa toelopen toen het opeens klaar was. Alle mannetje vlogen weer op en vlogen langs Joep weer naar beneden. Ze knikten allemaal naar Joep toen ze voorbijvlogen, en sommigen zwaaiden even. Joep zwaaide maar terug en keek af en toe even snel achterom of het wel goed ging met papa.
Maar die lag nog steeds heerlijk te slapen. Hij snurkte niet meer. Hij lachte een beetje in zijn slaap. Hij zag er lief uit zo.

Toen het laatste mannetje weer naar beneden ging Joep samen met Knarf weer naar de kamer van Joep.
‘Hoe vond je het?’ vroeg Knarf nieuwsgierig. Hij keek Joep heel lief aan.
‘Het is toch wel goed met papa?’ vroeg Joep, een beetje bezorgd.
Knarf lachte naar Joep. Hij keek weer zo lief.
‘Met je papa gaat het juist heel goed. Het droomzaaien ging erg goed vannacht. Hij heeft de hele droom ingeademd. Als hij morgen wakker wordt is hij vast heel erg vrolijk en zal het morgen een hele leuke dag worden. Ik denk dat je papa wel blij is weer.’
‘Gelukkig maar,’ zei Joep en hij gaapte een hele grote gaap.
‘Ga maar lekker weer slapen,’ zei Knarf, ‘je bent al veel te lang wakker.’

Toen Joep weer lekker onder zijn dekbed lag zei hij met een slaperige stem: ‘Zie ik je morgen weer, Knarf?’
‘Ik denk het niet,’ zei Knarf, ‘meestal ziet niemand ons, maar ik zat lelijk vast in de legowagen en mijn broers waren al weg. Daarom riep ik je.’
‘Morgen denk ik vast dat ik dit gedroomd heb,’ zei Joep.
‘Dat denk ik ook,’ zei Knarf, ‘en dan heb je toch nog een droom van mij gekregen.’
Maar Joep sliep al.

De volgende morgen werd Joep wakker door veel lawaai in de keuken. Hij dacht onmiddellijk aan Knarf. Hij was hem niet vergeten maar wist nu niet meer precies of hij gedroomd had of niet. Hij sprong uit bed en stootte zijn teen aan een brandweerwagen van lego. Lang keek hij ernaar.

Opnieuw was er lawaai in de keuken. Papa zou toch niks ontdekt hebben? Joep stormde naar beneden.

Maar in de keuken was papa fluitend eieren aan het bakken. Lachend keek hij naar Joep.
‘Haaaaaaa, die Joep!!’ riep papa. Kei-hard!

Joep bleef even staan. In zijn pyjama. Op de drempel van de keuken.
‘Nou kom joh!’ riep papa lachend, ‘ik heb ontbijt voor je gemaakt. We gaan er een hele mooie zaterdag van maken Joep. We gaan vissen en spelletjes doen. Lekker eten en zo. Volgens mij was ik steeds wat te boos of zo. Niks aan. Vandaag wordt het vast veel leuker!’

Joep lachte door zijn tranen heen en voelde zich heel gelukkig. Gekke papa. Hij had eindelijk weer gedroomd. Dat wist Joep nu. Hij rende op papa af. Die tilde hem hoog in de lucht en daarna ging hij bij papa op schoot ontbijten.
Hij voelde zich blij.
 
 
Voorlezen op school bij Hessel,
maart / 2014