Een dag in het leger

Vijf uur in de ochtend was het. Stampvoetend en springend probeerde ik mezelf warm te houden, zodat het leek alsof ik aan het ochtendgymnastieken was met Olga Commandeur. Ik was nog jong en op uitnodiging verbleef ik veertien maanden in een staatshotel, ook wel kazerne genoemd. Ik was al bezig met maand twaalf, zodat het einde in zicht was. Ik hoorde bij de “Oude Poep,” een benaming die gedragen werd als een rang, want de reguliere rangorde bleek nog niet voldoende binnen het leger. Binnen bepaalde rangen was er ook nog een informele orde, zodat je plaats in de groep werkelijk niets aan duidelijkheid te wensen overliet.

Ik had gedurende het onvrijwillige verblijf een baantje toegedicht gekregen. Het leger sloeg daarbij geen acht op reeds aanwezige faculteiten en interesses, zodat een dokter monteur werd en een monteur injecties toediende in het hospitaal. Ik was uitverkoren vrachtwagens te besturen. Gelukkig lag het me wel.

Ik was gelegerd in Duitsland. Ik bewoonde een zeer grote kazerne bij Bergen-Belsen. De faciliteit werd gedeeld met Engelsen. Niet zomaar Engelsen, nee, Engelsen die de keuze hadden om na een misdrijf de gevangenis óf het leger in te gaan.

Geen brave sujetten dus. Je kwam ze wel tegen in de plaatselijke discotheken, waar het werven der Duitse meisjes erg tegenviel met de botte, uit puimsteen gehouwen koppen. De agressie door deze opgewekte frustratie werd gebotvierd op de veel succesvollere Nederlanders, ongeacht of je aan het werven was of niet. Ik heb nog steeds de littekens op het lichaam staan naar aanleiding van deze ontmoetingen.

Ik had de viertonner geparkeerd bij een klein gebouwtje. Oude Poep kreeg luizenbaantjes en ik moest vandaag een Duitse meneer rondrijden. Hij zou borden neerzetten op de schietbaan, die vervolgens door grote tanks verderop omver werden geschoten. Ik kon de hele dag op de kont blijven zitten in de warme auto.

En dat was prettig. Het winterde erg in Duitsland. Buiten was het -38, zodat het leek of je constant de neus vol brokstukken had, maar bij nadere inspectie bleek steeds dat het inwendige van het reukorgaan bevroren was.

Eindelijk verscheen de Duitser. Ik zag direct dat het niet best was. De man schommelde hevig en hield illustratief een fles jenever half in de lucht. Ik zuchtte. Het zou een langere dag worden dan ik had ingeschat.

De man wierp de fles op de zitting en poogde in het voertuig te stappen. Nu is zo’n viertonner vrij hoog. Je moet instappen via een trapje, dat aan het voertuig bevestigd zit. Ik moet zeggen dat de eerste poging in te stappen bijzonder goed was. Maar bijna in het voertuig verloor hij het evenwicht en luid kermend viel hij ruggelings achterover. Gelukkig lag er een dik pak sneeuw.

Ik keek door het geopende portier in het luchtledige. Ik stapte zuchtend uit en hees de man overeind, hetgeen gemakkelijk ging want het was maar een klein, licht meneertje. ’s Mans neus was bijzonder rood en onder het smoezelige legerpetje vandaan keken twee vochtige oogjes mij gemelijk aan.

“Danke,” murmelde hij. De krachtige geur van de jenever blies hij mij in het gezicht. Het duizelde me.
Hij ging weer instappen. Ik gaf hem ‘een kontje’ die wat krachtig uitviel. De man vloog de cabine in, opnieuw kermend. Er viel een rinkelend geluid te horen, alsof er een fles brak.
“Scheisse!” riep de Duitser. De fles jenever was gebroken, zodat de cabine zich vulde met de odeur van een kroeg op zaterdagavond.

Omstandig klauterde de man achterstevoren weer uit de auto, maar verrekende zich bij het aantal treden. Voor de derde keer kermde hij toen hij opnieuw ruggelings in de sneeuw terechtkwam.
“Moment mal,” steunde hij, en hij waggelde het gebouwtje weer in.

Hij was snel terug, voorzien van een nieuwe fles Schnapps. Slechts eenmaal belandde hij nog ruggelings in de sneeuw. Toen konden we vertrekken.

We moesten dwars door de weilanden. Dat kon wel met zo’n viertonner. Aangezien er een zeer dik pak sneeuw lag moest ik als chauffeur alle zeilen bijzetten om het voertuig vooruit te krijgen. Maar Oude Poep kan alles. Vierwielaandrijving, lage gearing, en gaan.

De Duitser ontpopte zich direct als bevelhebber. Met nurkse keelklanken en een heftig zwaaiende arm duidde hij de weg die ik gaan moest. Aangezien ik hier voor het eerst kwam vond ik het best en verliet me op zijn geurige directieven.

Na vierhonderd meter leek er een aardbeving plaats te vinden. We vielen met voertuig en al meters naar beneden. In de cabine was het een chaos. De Duitser smakte met het hoofd tegen de voorruit en schreeuwde moord en brand. Per ongeluk drukte ik op de claxon. Opnieuw brak er een fles jenever, met luid gerinkel. De viertonner kraakte luidkeels en ergens achter de cabine brak iets met een harde knal. Met een enorme dreun belandden we weer op de grond en een grote wolk van sneeuw omhulde ons. Toen was het doodstil.

“Verdammt noch mal,” fluisterde de Duitser, maar ik was al buiten en zag met lede ogen hoe de hele vrachtwagen drie meter lager in een soort greppel was beland, die in eerste instantie door het sneeuwdek verhuld was. Het voertuig kon me niets schelen, wel de verklaringen en rapportjes die op me af zouden komen die dag.
“Danke schön,” zei ik in mijn beste Duits tegen de man.

Toen ik een uur later achter het stuur zat en de viertonner achterwaarts door een tractor uit de greppel werd getrokken, dacht ik aan de verklaring die ik zou moeten afleggen straks tegen de sergeant en de lachende bekken van de medesoldaten, die nog wekenlang grappen zouden maken over dit voorval. Toen glimlachte ik weer, gelukkig bracht Nietzsche uitkomst:

“Was wir tun wird nie verstanden, sondern immer nur gelobt und getadelt.”

 
image28