Toen ik de wachtkamer van de tandarts betrad zaten er al twee mannen te wachten. Ze kwamen uit een tijd dat een glas bier twee cent kostte en mijn vader nog liep te knikkeren. Een van de mannen had lange grijze lokken. De andere man hield het met een kale schedel voor gezien.

‘Maar haar ademhaling was niet goed, zeker niet goed.’
Een auteur zou gelukkig zijn met deze openingszin. De man met de grijze lokken niet. Hij zuchtte er misnoegd bij. Het bleef onduidelijk of de kale man de volzin had gehoord. Hij keek naar buiten. Op mijn groet kreeg ik geen reactie. Ik ging maar zitten.

‘En pas aan het einde van de maand hebben we weer geld genoeg voor de pillen,’ sprak de grijze. Dit keer keek de kale man opzij en knikte een aantal malen met zijn hoofd in een afnemend ritme, zodat het leek of zijn nek van elastiek was.
‘Dat is nog meer dan een week,’ vervolgde de grijze man moedeloos, ‘zelfs nu ik hier bij de tandarts zit ben ik er niet helemaal gerust op dat ze het redt. Ook als ik boodschappen doe of zo ben ik wel eens bang dat ze dood in de stoel zit als ik weer thuis kom. Die verdomde medicijnen ook.’
‘Belachelijk,’ meende de kale man. Hij leek me geen redenaar. Ondertussen verhielp hij jeuk aan zijn onderlichaam met een hard en onsmakelijk, schrapend geluid. Er straalde weinig empathie van uit.
‘Het gekke is dat als ze die pillen heeft het eigenlijk best goed gaat,’ zei de grijze man, het non-verbale gedrag van zijn toehoorder niet bemerkend.
‘We hebben zelfs met een van de laatste pillen erg gelachen voor de televisie om zo’n spelletje. Ze gaf toen nog een klap op mijn been, zo moest ze lachen.’
Hij streek met de rug van zijn hand langs zijn wenkbrauwen en knipperde met zijn ogen.
‘Maar ja, zei zijn zo duur hè? En nu weer dit.’

De assistente van de tandarts stak het hoofd om de deur.
‘Meneer Mulder, u mag meekomen hoor,’ zei ze met een stem alsof ze kindertjes een verhaaltje voorlas waarin louter besuikerde figuurtjes de hoofdrol speelden.
Mulder verhief zich. De jeuk was zo te zien en te horen nog niet helemaal weg.
‘Nou tot de volgende keer dan maar,’ zei hij achteloos in het voorbijlopen tegen de grijze man. Bij de deur hield hij toch nog even in.
‘O ja, succes met je vrouw,’ zei hij nog en toen was hij weg, een klamme stilte achterlatend door zijn ongelukkig gekozen formulering.

‘Ja je moet nagaan dat we de vorige maand alleen brood en aardappelen hebben gekocht om meer pillen te kunnen kopen,’ zei de grijze man nu tegen mij, alsof ik de hele tijd al met hem in gesprek was.
Ik knikte maar wat, want ik vreesde al voor wat er zou komen. En het kwam.
‘Op zich ging dat best,’ zei de man, ‘ze was een week langer goed. Maar nu zit ik hier hè? Ik kan niet meer van de pijn. De assistente denkt dat ik een zenuwbehandeling moet ondergaan van wel driehonderdvijftig euro. Volgende maand te voldoen. En déze maand redden we het al niet, ondanks het brood en de aardappels. Maar ik kan niet meer van de pijn hè? Ik moet haar in bed tillen en op de WC. Dat ging niet meer. Van de pijn in mijn mond. Dus dat worden volgende maand bijna geen pillen voor haar. Ik hoop maar dat ze er niet in blijft. Ik ben nu al wel eens bang dat ze dood in de stoel zit als ik thuis kom met de boodschappen.’

De andere assistente stak het hoofd om de deur. Een heel ander type, met kordate bril en dito gestalte.
‘Meneer de Jong, komt u maar hoor!’ schalde ze door de wachtkamer. De grijze man en ik schrokken op.

Toen de man de wachtkamer uitliep en mij nog een knikje toedichtte, zag ik de traan die langzaam een weg zocht naar zijn kin. De assistente zag het ook.
‘Ach meneer de Jong toch! U hoeft toch niet zenuwachtig te zijn!’ beval ze, ‘voor u het weet bent u van de pijn af. Het zal een verlossing voor u zijn!’
Toen sloeg de deur dicht.

Verstijfd bleef ik achter. “Verlossing” voor de man met zijn duivels dilemma. Een paus zei eens: There is no redemption from hell.

De gezondheidszorg werd een hel.

 
April 2012
 

roemer