Blij ijs

Zonder meer verschaft het eten van een ijsje iets feestelijks. We zien achteloos slenterend voetvolk leuren met hoorntjes en torenhoge slagroomklodders in het straatbeeld. De gezichten van mensen die ijs eten staan altijd blij.
IJs verbindt ook een enkele maal. De keer dat ik onhandig tegen een ijslikkende juffrouw opbotste leverde mij een witte veeg slagroom op de schouder op. ‘Sorry,’ stamelde ze. ‘Oh, ik dacht dat het vogelpoep was,’ antwoordde ik, wijzend op een aanpalend vogeltje dat daar gewoon binnenssnavels wat zat te neuriĆ«n. Ze keek zo snel om dat ze andermaal met het ijsje tegen een heerschap botste dat pardoes in het, inmiddels ook op de grond belandde, bolletje stapte. De juffrouw kirde en de heer lachte schalks. Samen liepen ze verder.
Nog nooit zag ik een martiaal gezicht achter ijs. Boksers eten het niet in de ring en ook rebellerende generaals ziet men niet op TV achter een hoorntje boerenjongens. Zittend naast collega’s op een bankje in de Folkingestraat te Groningen zag ik echter een vrouw op ons afstevenen die een grote hoorn gevuld met ijs voor zich uit hield, met gestrekte arm. Haar gezicht stond zeer dreigend. Met zevenmijlspassen beende ze achter de consumptie aan. Ze werd ons gewaar en week iets naar rechts. Het kalende hoofd van mijn collega glom in de zon. Even dachten we dat ze met volle kracht het bolletje op dit hoofd zou planten, maar op het laatste moment wendde ze haar arm iets naar links en liep met dezelfde grote stappen door. Woedend. Strijdvaardig. Mompelend en knarsetandend. Lang keken we haar na.
Mijn collega depte met een zakdoekje zijn hoofd.
 

untitled