‘Productinnovatie heb ik ook niet gezien. Dat valt me vies tegen en heeft me bijzonder teleurgesteld. Alleen een paar nieuwe verpakkingen. Dat noem ik geen innovatie!’

Ik schrok op. Ik was net bezig met het determineren van een balletje mayo. De kleur stond me niet helemaal aan, maar voorzichtig proevend had ik net besloten het fabrieksvlees te nuttigen omdat de melange van veel zout en smaakstoffen toch redelijk smaakte. Onaangenaam getroffen keek ik opzij. Vanuit mijn ooghoeken had ik de jongeling die de woorden uitte al gesignaleerd, omdat hij tijdens voorgaande gedempte lispelingen hevig gesticuleerde.

De middelbare man die naast hem stond en hem tevens aanhoorde, maar dan vanuit professioneel oogpunt, knikte somber.
‘Kom, we kijken even aan de voorkant,’ dicteerde de jongeling, terwijl hij zijn babyroze das even rechttrok. De mannen liepen het tankstation uit. Een toeterende auto maande de jongeling tot haastig uitwijken. De oudere man sjokte er gelaten achteraan.

Mijn balletje oppeuzelend bekeek ik de twee, nu zonder geluid. De jongeling wees met zwaaiende armgebaren naar de opstelling der bossen bloemen tegen de voorruit van de shop. Daarna was het plafond van het tankeiland aan de beurt. Het zinde de jongen allemaal niet. Ik wist niet wat er geïnnoveerd moest worden aan dat plafond, maar zijn hele lichaam gaf uiting aan zijn teleurstelling. De andere man knikte. Daarna keken beide mannen lang omhoog, met bewegende kelen, omdat ze kennelijk erbij spraken.

“EDDIE!!” krijste de mevrouw van de eetcounter. Andermaal trof geluid mij hinderlijk. Eddie was de kassier van het tankstation. Een beetje een nerveus heerschap, die volgens mij met zijn eerste werkdag bezig was. Bij het afrekenen eerder vroeg hij me pathetisch:
‘Wilt u gebruik maken van de dagaanbieding? Alles voor één euro,’ waarbij hij wees op een mandje op de balie met een onduidelijk assortiment candybars.
‘Alles?’ vroeg ik, ‘dat is een koopje.’
Maar Eddie keek me zó onnozel aan dat ik harder dan nodig mijn pinpas in het daartoe bestemde apparaat ramde. Na de betaling ging Eddie werkzaamheden verrichten in de shop.

Dat was tien minuten geleden. De rij bij de kassa was inmiddels erg lang en mannen met dure overjassen en strakke ribbels om de mond keken ostentatief op gouden horloges.
Eddie kwam haastig aangelopen vanuit onduidelijke catacomben.
‘Let nou es op, Eddie!’ schalde de collega nog.

Maar Eddie lette niet op. De gesticulerende jongeling van zo-even snelde net weer naar binnen, met de oudere man in het kielzog. De botsing was frontaal.

Zowel Eddie als de jongeling belandden op hun bips. Er lachte een man. Dat was ik. Maar de dure heren in de rij hieven hun ogen ten hemel. Zeer fluks sprongen de getroffenen echter op. Eddie toog achter de kassa, die bij de eerste betaling vervaarlijk begon te piepen, hetgeen Eddie wanhopig de armen in de lucht deed gooien.

De jongeling en de vermoeide man stonden inmiddels weer op hun oorspronkelijk plek naast mij. De babyroze das zat weer scheef, maar niemand merkte het.
‘Alleen nog maar betaalautomaten op het tankeiland en een automatiek voor de kroketten en gehaktballen. Dát is innovatief,’ sprak de jongeling.
Eindelijk hoorde ik de andere man ook spreken. Hij zei:
‘Een tankstation is ook een rustplaats. Mensen komen er ook voor het menselijk contact hoor.’

Over zijn schouder kijkend zag ik hoe een aantal dure heren zich verdrongen voor de kassa en gebalde vuisten in de lucht hielden. Ze schreeuwden allen naar Eddie, die zweterig verwoede pogingen deed de kassalade open te krijgen, waarbij het aantal geluidssignalen zienderogen toenam. Arme Eddie.

Na mijn toiletbezoek bleek de shop echter weer leeg te zijn. Eddie stond wat na te hijgen met een hand in de zij. Ik glimlachte maar eens vriendelijk en hij lachte wat vermoeid terug, een beetje triest ook. Ik hoopte maar dat hij mocht blijven, innovaties of niet. Toen de schuifdeuren achter mij dichtsloegen hoorde ik nog net de collega achter de eetcounter schallen:
‘Eddie!!!’

Toen ik even later thuis arriveerde wou de genuttigde gehaktbal juist met spoed vertrekken. Met wapperende jaspanden snelde ik naar sanitaire middelen. Mijn zoon stond in de gang en keek mij met open mond na.

Terug in de kamer zeeg ik neer op een stoel.
‘Was het niet leuk op je werk, pap?’ vroeg mijn zoon. Hij keek me onderzoekend aan.
Ik zuchtte. Bij steeds meer tankstations zie je een afdeling met verse broodjes en andere gezonde etenswaren.
Lijkt me een goede innovatie.