Jannie bewoonde een klein huurwoninkje in het dorp. Het was haar ouderlijk huis. Jannie was er geboren en was gewoon nooit weggegaan.
Haar ouders wel. Al lang geleden, want Jannie was al over de zestig. Jannie was haar leven lang soliste. Als het reclamekaartje in een voltallig dek speelkaarten was ze de enige in haar soort en paste nergens bij.

Het was het gezicht. Een grilligheid van de wrede schepping had haar een wijnvlek als een rorschachtest face-front toebedeeld. Zo bleef ze blijkbaar onaantrekkelijk als levensgezellin voor mannen en vrouwen. Zelfs voor overgebleven exemplaren, met toenemende en aan waanzin grenzende driften, die zweefden tussen lust en de behoefte aan moederlijke geborgenheid, was ze niet het potje voor deze dekseltjes.

Ongetwijfeld had Jannie het met haar, min of meer gedwongen, solistische levenswandel moeilijk gehad. Maar zoals alles went, had ze zich gaandeweg het leven erbij neergelegd. Zo was er in de dagelijkse omgang in ieder geval niets te merken van enig leed. Maar het was natuurlijk mogelijk dat bij tijd en wijle haar kussen ’s nachts nat van tranen was, door het slepende gemis ener levenspartner.

Toch was Jannie niet eenzaam, althans, het ontbrak haar niet aan contacten. Zoals het water, dat een uitweg zoekt, rotsen splijt, zo vond de zich in haar huizende ongebruikte liefde een plaats in het verzorgingswezen. Gedurende vele jaren was ze een engel in veel bejaardenhuizen en afdelingen in ziekenhuizen. Menig oud en ziek mens kon zich laven aan haar goede zorgen. Ze begeleidde ook terminale patiënten en gaf ze een vredig heengaan.

Zo deed Jannie haar contacten op. Velen daarvan gingen dood, dat was inherent aan het verzorgende vak dat ze uitoefende. Wat echter overbleef was de band die ze onderhield met collega’s en de familieleden van de kasplantjes die ze verzorgde, of verzorgd had.

Het verbaasde dan ook niemand dat haar begrafenis een menigte op de been bracht. Het opperwezen vond dat Jannie genoeg liefdevolle zorg had gegeven aan de wereld en riep haar vroegtijdig tot zich, om haar deel aan liefde voor eeuwig aan haar uit te delen.

Waarschijnlijk mooi voor Jannie. Maar niet zo mooi voor de wereld.

Er werd veel gehuild op de begrafenis. De zaal was veel te klein, doordat het merendeel van de gasten per rolstoel arriveerde. Tot ver buiten de aula stonden de mensen te wenen. De lucht was grauw en er viel een vies soort hemelvocht, als een verstikkende nevel. Twee mensen werden onwel en moesten ter plaatse worden behandeld door een aanwezige arts.

Toen het requiem van Mozart ook nog losbarstte en het licht even flikkerde door een kleine hik in de stroomvoorziening werd het duidelijk. Engelen bestaan. Jannie was er een van, en de wereld was grijzer zonder haar.

Misschien dat Jannie daarboven glimlachend toekeek. Maar misschien was het ook toegestaan de geleden schade daar in te halen en ging ze zich te buiten aan de meeste wilde orgiën en zuippartijen, de lokale regelgeving en gebruiken zijn bij levende stervelingen niet goed bekend.

De begrafenisondernemer hief het hoofd even ten hemel en voelde de koude nevel op zijn gezicht. Hij dacht even dat hij haar hoorde lachen.
Hij sprak de slotwoorden: ‘Rust zacht, lieve Jannie.’
Hij zuchtte en dat dacht in zichzelf: ‘Maar niet teveel.’