Engelen

Opeens zit ik rechtop in bed. Ik voel blinde paniek. Ik hoor een stem die rustig op me inpraat en ik weet het opeens. Ik ben weer wakker! Ik kreeg narcose en ben weer wakker. Veel verder kom ik niet dan deze basale opluchting. Met een oog open kijk ik snel naar de personen aan mijn bed. Het zijn er twee. Personen, gelukkig. Geen aliens of engelen. Geen hemelse luchten of een wit licht aan het eind van een tunnel. Ik kreeg narcose, en ik ben er weer uit.
‘Jullie zijn het beste ziekenhuis dat er is!!!’ schreeuw ik, veel en veel te hard.
Ik hoor geruststellende klanken. Ik ga weer liggen en val in een diepe slaap.

Weer ben ik wakker. Dit keer duidelijker. Ik voel een helse pijn in mijn knie en ik durf mijn been niet eens te bewegen. Ik kreun zeer aanstellerig en binnen vijf seconden staat de vriendelijke stem weer naast mijn bed.
‘Hebt u veel pijn?’ vraagt ze bezorgd.
Ik knik heftig en zet een moeilijk gezicht op.
‘Ik durf mijn been niet te bewegen. Zo’n pijn doet het,’ zeg ik met een gebarsten stem. Mijn keel doet ook zeer, maar daar was ik van te voren voor gewaarschuwd. Ze proppen allerlei slangen in je tijdens zo’n operatie. Dat was me allemaal verteld door een zeer vriendelijke mevrouw, die een soort intake hield, met duidelijke uitleg.
‘Ik zal wat halen voor de pijn,’ zegt de verpleegkundige met de warme stem, ‘maar u moet dan wel langer op de uitslaapkamer blijven.’
Ze kijkt me aan of het een straf is, maar ik knik zo vriendelijk mogelijk. Het lijkt me heerlijk hier uren te liggen.

Ik lig in een andere kamer. Als ik mijn ogen opendoe beweegt het bed tegenover mij. Er ligt niemand in, maar het schommelt, alsof het een zware racewagen is waarin iemand ongeduldig veel gas geeft voor een rood verkeerslicht. Ik ben direct bang en voel paniek opborrelen.
‘Gaat het weer een beetje met u?’ Het is de verpleegkundige die me naar de operatiekamer reed. Ze is er nog steeds en haar stem stelt me onmiddellijk gerust. ‘Nou u kunt slapen zeg! Heeft u nog pijn?’ Ze trekt de dekens recht en legt een hand op mijn schouder.
Ik beweeg mijn been een beetje. Het gaat.
‘Het gaat wel, maar ik voel me nogal beroerd. Bangig ook. En ik ben heel duizelig. De kamer beweegt,’ klaag ik en ik kijk naar haar op. Ik doe mijn best geen acht te slaan op de dansende TL-balken.
‘Ja, u hebt morfine gehad na de narcose. Die klachten horen daar wel bij.’
Er staat opeens nog een verpleegkundige.
‘Last van de morfine?’ vraagt ze lief.
‘Ja,’ antwoordt de eerste vrouw. De tweede verpleegkundige ziet ook nog een kreuk in de dekens en strijkt deze glad. Beide vrouwen kijken naar me.
‘U moet even wat proberen te eten,’ zegt de tweede verpleegkundige, ‘dan kunnen we over een uurtje kijken hoe het gaat. Maar u moet even eten. Misschien kunt u dan vanavond gewoon naar huis. Als het niet gaat brengen we u naar de zaal. Dan blijft u een nachtje.’
Ze glimlachen allebei. Dan roepen taken.

Als de eerste verpleegkundige even later het eten brengt zet ze me rechtop in bed. Ze schudt het kussen op. Ze geeft me het blad met eten aan.
‘Eet maar lekker,’ zegt ze, ‘het komt wel goed. U kunt straks vast naar huis.’
Heel even flitst het door mijn hoofd me vreselijk aan te stellen en verzorgd te worden door deze lieve engelen. Maar ja, ze gaan natuurlijk straks ook naar huis en dan moet ik naar de zaal. Daar lig ik niet zo rustig, misschien zelfs naast Geelsma met zijn chronische flatulentie. Of naast Mulder, die notoir snurkt.

Toch kijk ik spijtig achterom, als ik tegen acht uur opgehaald wordt. Op weg naar huis, na het moeizaam plaatsnemen in een rolstoel, onder kritische en bezorgde blikken van beide verpleegkundigen. Maar ik word goedgekeurd. Ik mag naar huis. Ze zwaaien nog even.

Met dank aan het Martiniziekenhuis in Groningen. Helden, die mensen in de zorg.
 
 
Juni 2012.
 
 
martini