Wat beslagen stond hij naast me, een gezette man halverwege de vijftig. Het grijzende haar was achterover geföhnd, in een poging hem een aristocratisch voorkomen te geven. Het ronde metalen brilletje, dat vrij achteloos op zijn neus stond, moest ook hieraan bijdragen. Hij leek zo weggelopen te zijn uit een Engels televisiedrama.

‘Het probleem met zo’n miniatuurtje is dat je van veraf denkt dat je met een echte Coenders te maken hebt. Terwijl ik dan al weet dat dat niet zo is natuurlijk. Hohhohhoh!’
Zijn lach als een zeehondenblaf ebde weg in de schemerige ruimte van de kroeg. Hij pakte het wijnglas stevig in zijn mollige hand en sloeg de laatste slok met kracht achterover. Met een dreun zette hij het glas neer op de bar en keek mij aan.
Ik keek volkomen blanco terug. De mededeling op geëxalteerde toon had hoegenaamd niets met mij gedaan, hoewel diep van binnen een meewarige lach ontstond.
‘Mijn vader was dermate goed dat hij door veel mensen werd geïmiteerd,’ vervolgde hij. Hij keek nu naar rechts, waar een meisje hem met bewonderende ogen aankeek. Het beviel hem beter dan mijn blanco blik.
De jongeman die naast het meisje zat sloeg de ogen ten hemel. Weg was de kans tot innig verstrengeld zoenen. En hij had toch al een uur pogingen ondernomen.

‘Zo’n kunstenaar leeft er voor. Zo was mijn vader ook. Alom gerespecteerd en hij is er ook mee op televisie geweest. Hij heeft ook grotere doeken gemaakt, maar zijn specialiteit was toch het kleine werk. Ook wel icoontjes.’
Het meisje was nu een en al aandacht. De jongen naast haar keek nu intens naar de bodem van zijn bierglas, waar een klein fruitvliegje voor zijn leven vocht in het laatste slokje bier.

De man raakte in zijn element door de aandacht van het meisje. Hij plantte een vuist in zijn zij, waardoor de regenjas opensloeg en er een smoezelige rode trui zichtbaar werd op een forse buik. Zijn brallerige toon werd nog wat sterker.
‘Jahaha. Een echte bekendheid. Ik word vaak aangesproken over zijn werk. Veel mensen weten wel dat ik zijn zoon ben. Ik lijk ook wel op hem.’
‘O. Je schildert ook?’ concludeerde het meisje.
‘N-n-nee,’ stamelde hij. Met de rug van zijn hand veegde hij snel over zijn bovenlip.
‘Nee, qua uiterlijk dan hè?’ En weer kwam de zeehondenblaf.
Ik verslikte me in mijn laatste slok en bracht een snikkend geluid voort. Hij keek wat verstoord opzij en keerde me nu volledig de rug toe. Hij stond nu wat over het meisje heen gebogen bijna.

De jongeman schudde het laatste drupje bier uit het glas en sloeg het fruitvliegje krachtig dood. Hij draaide zich abrupt om en verdween uit het zicht.

‘Ja een echte kunstenaar. Jammer dat hij zo geïmiteerd wordt de laatste tijd. Dat zou hij niet verdragen hebben. Als hij al iets verdroeg, hohhohhoh. Mij verdroeg hij niet zo goed. Geen kunst in de vingers hè?’
Somber keek hij naar zijn dikke handen en bewoog de korte vingers met vetkussentjes. Het meisje gaapte en keek verbaasd opzij, alsof ze nu pas merkte dat de vliegenmeppende jongen verdwenen was.
‘Maar knap schilder hoor. Mensen spreken me er vaak op aan,’ zei de man nog, dromerig. Hij ging uit als een nachtkaars, verstomde, en leek mijlenver weg te drijven. Het meisje keek voor zich uit en ik keek naar de man.

Het was Nietzsche die zei:
Als men geen goede vader heeft, moet men zich er een aanschaffen.

 

image9