Ethiek & economie

Algemeen
Veel economen onderkennen ethiek niet. Economie is immers a-moreel en gestoeld op winst en is egoïstisch. Centraal staan de vragen (1) hoe kom je vanuit egoïstische motieven tot een aanvaardbaar resultaat en (2) welke waarden voegt een markteconomie toe of worden juist verwaarloosd?

Onzichtbaar
Vanuit de historie lag de focus voor het hervormen van de maatschappij op het hervormen van het individu (deugdethiek). Mandeville claimt, in zijn voorbeeld over een bijenkorf, voor het laten floreren van ondeugden. Er zal ongelijkheid zijn maar de maatschappij zal bloeien voor iedereen door economische groei. Later gebruikt Adam Smith dit ook: het nastreven van eigenbelang leidt tot algemeen belang, gestuurd als door een onzichtbare hand. Private en maatschappelijk moraal wordt losgekoppeld. Dit gaat ook samen met het optimistische Verlichtingsdenken.

Collectief
Alleen de keuze vanuit het-zelf wordt geleid door ratio (in de zin van ik kies meer van goed en minder van slecht). Dan houdt die ratio dus geen rekening met wat anderen doen of willen. Niemand zal op die manier zijn rommel van het strand meenemen (het maakt niet uit: als niemand opruimt maakt mijn kleine beetje niet uit op de berg rommel en als iedereen opruimt dan maakt mijn kleine vervuiling niet uit). Eigenbelang is hier nadelig voor algemeen belang. Overbegrazing door herders in de Sahel is ook zo’n voorbeeld. Om stakingen, verenigingen, gemeenschappen te begrijpen moet er dus een collectief zijn; mijn handelen is dan afhankelijk van wat anderen doen. We spreken over een Nash-evenwicht als het evenwicht stevig is waarbij een rationeel figuur geen reden heeft om af te wijken. Dit evenwicht is echter geen Pareto-optimum: een ideaal waar geen Pareto-verbetering mogelijk is: beide partijen zouden hun situatie kunnen verbeteren door samen te werken. Een Pareto-verbetering ontstaat als ten minste 1 partij erop vooruitgaat zonder dat een ander verliest. Wantrouwen zorgt voor slechts een Nash evenwicht, een collectieveactieprobleem.

Coöperatie
Wederzijdse coöperatie vindt plaats als iedereen moreel gemotiveerd is. Een kantiaan of christen doet zijn plicht. Een utilitarist dient het nut van de gemeenschap te beogen, met het gevaar van groepsegoïsme. Een aristoteliaan laat zich meer leiden door het intrinsieke doel van zijn activiteiten, eerder dan de zucht naar macht of geld of opportunisme.
Fairness-ethiek is geïnspireerd door contractualisme. Samenwerken alleen dan als de meeste anderen dat ook willen. Rawls stelt fairness daarmee gelijk aan redelijkheid. In tegenstelling tot rationaliteit overlegt redelijkheid ook met anderen en anticipeert ook op anderen. Hoe meer mensen meewerken hoe meer het fairness-motief gaat spelen. Opruimen: utilitaristen zien het nut nog niet, kantianen zien hun plicht en beginnen waardoor utilitaristen dan wel meedoen en egoïsten (het wordt leuk) dan aanhaken. Fairness speelt dan een steeds grote rol. Als er teveel mensen opruimen haken de utilitaristen weer af.
Altruïsme en egoïsme hebben vaak eenzelfde basis. Doe je iets werkelijk voor een ander of verwacht je iets (dankbaar, toekomst, middel voor eigen doel). Commitment kan betrokkenheid bij een probleem tonen zonder dat dit verbonden is met een utilitaristische berekening.
De fairness-norm wordt door veel mensen spontaan gehanteerd, de rest die dat niet doet is opportunistisch. Teveel opportunisten leidt tot een daling van fairness.
Sociale en morele normen gaan vaak samen. (1) Morele normen kennen gewetensancties als schaamte, schuld, externe druk. (2) Morele normen zijn universeel, sociale normen zijn relatief (maatschappijen, gezien in tijd). (3) Morele normen hebben een grotere draagwijdte dan sociale normen. Kledingnormen bv wekken ook schaamtevermijding maar hebben geen morele draagwijdte. Morele normen hebben ook maatschappelijke sancties nodig (criminologie).
De overheid kan als derde de intrinsieke vrijbuiterij tegengaan door sancties en contractuele verplichtingen. Ze kan coöperatief gedrag belonen (ecobelasting, statiegeld). Hobbes beschrijft een collectieveactiedilemma, uitgaand van een toestand van (oorlog) allen tegen allen. Dit leidt tot het afstaan van rechten aan een derde (arbiter, Levithian). Hoe de arbitrage verloopt is minder relevant, dat hij er is wel. Een Sociaal Verdrag. Het is dan nog steeds nodig dat het onderlinge wantrouwen wordt weggenomen. Ook op wereldniveau is tussenkomst in een oorlog van een derde daarom vaak noodzakelijk. Je ziet vaak dat het bevorderen van coöperatie een samengaan is van vertrouwen (sociale normen) en een (dwingende) overheidsinterventie. De stok achter de deur die zelfregulering bevordert.
Dit vertrouwen speelt in veel maatschappijen en bevordert de economie. Betrouwbaarheid en ethiek speelt steeds meer in een markt waarin onderscheid steeds moeilijker is. Vroeger was vertrouwen meer in concentrische cirkels, het hart van de cirkel was de familie daaromheen een zeer hechte kleine gemeenschap. Tegenwoordig is vertrouwen op veel minder gebaseerd. Voedsel is veilig, de bank belegt goed. We kennen de processen erachter niet maar vertrouwen dat het goed is. Maar door dit overwinnen van (parochialistisch) wantrouwen groeit dus de economie. Ethiek wordt zo functioneel.
Verschil met Amerika en Europa is bijvoorbeeld dat in Europa men zichzelf aristocratisch goed vindt: je kan je zaken permitteren die anderen niet kunnen. In Amerika is er veel meer gelijkheid: als ik de kantjes eraf loop gaan anderen dat misschien ook doen.
Daarnaast is samenwerking niet altijd uit te drukken als een balans. Soms is samenwerken gewoon leuk. Bovendien werkt herhaling van transacties coöperatie in de hand. Je weet immers dat bij malversaties je de volgende keer naast het net vist. Diversiteit aan partners en mogelijkheid tot anonimiteit werkt vrijbuiterij juist in de hand. Hiermee samen hangt reputatie, met name weinig goed herkenbare deelnemers aan transacties.
Vertrouwenskwestie blijft een probleem tussen onbekende actoren. Met bekenden in familie of afkomst speelt dat minder. Zijn er goede redenen om eerlijk te handelen? (1) Hoogmoed (vermeende onkwetsbaarheid) komt voor de val. Zelfs de hoogstgeplaatste kan iets niet geheim houden. (2) Goed handelen is een investering in mezelf waardoor anderen mijn betrouwbaarheid herkennen (reputatie). Dit gaat niet op omdat dit herkend wordt, al te veel opzichtig vertrouwen wekken wekt juist wantrouwen. Wie dus eerlijk is omdat het zo hoort zal dus worden beloond.

Hobbes
Als mensen werkelijk als wolven tegen wolven zouden leven dan zou welke vorm van vrede dan ook onwaarschijnlijk zijn. Sociaal Contract en Levithian lijken dan onbereikbaar. Een maatschappij kan slechts bestaan als tenminste enkelen willen overgeven aan de ander en willen samenwerken. Ergens moet een onbevangen ingaan op het appel van een ander het startschot zijn. Ook marktwerking kan op deze manier slechts bestaan met een minimale aanwezigheid van moraliteit, anders ontstaat vanuit vrije concurrentie inderdaad oorlog van allen tegen allen.
Vanuit ethiek: hoever kan men komen vanuit de gedachte dat iemand voor eigen gewin gaat? Economen willen starten vanuit dit realistisch mensbeeld. Reputatie is ondanks vermeend individualisme meer dan ooit van belang: wat denkt de ander van mij? Dit is niet het hoogste ethische motief, dat is betrouwbaar en goed overkomen in het sociale leven. Vertrouwd worden stoelt immers gewoon op betrouwbaar zijn. Hobbes ging uit van de mens als potentiële oplichter, maar het inrichten van instituties hier rondom werkt misschien als een selffulfilling prophecy, strenge controlerende instituties creëren wellicht calculerende mensen. Het gaat erom ook te vertrouwen op het spontane ethos van mensen.
Realistisch mensbeeld gaat uit van het maximaliseren van het eigenbelang. Het spel met het verdelen van 100 euro eindigende opmerkelijk genoeg vaker in 50-50 dan anders (99-1 bv). Morele verontwaardiging (onrechtvaardige verdeling) ging boven hebzucht. Ook toont het aan dat de mens eerder behoefte heeft aan wederkerigheid dan aan strikt eigenbelang.

Markten en waarden
Naast het voldoen aan minimale ethische waarden moeten markten voldoen aan juridische stabiliteit. Een goed werkende markt is dus ingebed in een coöperatieve cultuur. De markt zelf creëert de waarde efficiëntie. De winst ligt vooral in een effectieve informatiebehandeling, bijvoorbeeld door het prijsmechanisme. Dit werkt veel beter dan een bureaucratisch mechanisme door de overheid bv. Het voordeel van die efficiëntie is er vooral voor consumenten. Producenten worden aardig onder druk gezet. Het belang van producenten staat vaak haaks op die van consumenten.
De vrije markt creëert ook keuzevrijheid. Veel keuze maakt echter kiezen vaak moeilijker. Ethische bezien is godsdienstkeuze een andere waarde dan de keuze tussen gadgets. Ook in de zorg geldt dat meer keuzes soms moeilijk maakt (bv testen van een foetus).
Solidariteit is een bijproduct van verzekeringen (die ik-gericht zijn). Uiteindelijk betaal je ook premie voor iemand die geen geluk heeft, echter is dit natuurlijk uit koele berekening; men weet immers niet wie geluk of ongeluk ten deel valt. Toch is solidariteit breder dan dat, kijk naar arbeidsongeschikten en gehandicapten bv; ze gaan in principe niet dood doordat niemand naar ze omkijkt. Ook zijn er minimum- en maximum uitkeringen om verschillen te temperen. Spontane marktwerking wordt hier dus gecorrigeerd door de overheid middels solidariteitsmechanismen.
Vrije markt leidt tot ongelijkheid en als alles vrij is zouden producenten allemaal verhuizen naar arme landen. Dit is niet zo zeggen tegenstanders het slecht bestuur en ongeschooldheid houdt dit tegen. Institutionele, ethische en culturele voorwaarden ontbreken daar voor het vormen van een markt. Toch is er wel beweging om die ongelijkheid recht te trekken, bv door uitbreiding van de EU en economische verdragen met Afrika.
Kapitalistische markt heeft de neiging te weinig publieke goederen (wegen, onderhoud parken, scholen, rechtssysteem, sociale zekerheid) te produceren in de hoop dat een ander dit doet/betaalt. Milieukosten worden bijvoorbeeld deels noch door producenten noch door consumenten betaald. Marxisten geloven dat de markt zal evolueren als de ongelijkheid en scherpheid te groot wordt. Marx zegt dat de eigenaars van productiemiddelen een structureel voordeel hebben. De ruil tussen kapitaalbezitters en werknemers is daarmee ongelijk. Marx wil de werknemers het productieproces laten controleren. Coördinatie tussen coöperatieven geschiedt dan door de markt. In praktijk zijn er vooral coöperatieven in sectoren waarin beroep wordt gedaan op creativiteit en inventiviteit (advocatenkantoren, consultancy, kenniseconomie). Marx vond ethici het kapitalisme legitimeren. Toch zijn een aantal ethische kritieken voor de hand liggend. (1) Categorisch imperatief van Kant zegt gebruik mensen als doel en nooit louter als middel. (2) Utilitaristen (Singer) stellen dat herverdeling van rijk en arm op grond van totale nut voor maatschappij of wereld moet plaatsvinden. Een euro geven aan een arme is van groter nut dan afpakken van een rijke. (3) Aristotelianen zullen zeggen dat middelen en doelen worden verward. Toch zorgt een kapitalistische markt die produceert voor voor kapitaalkrachtigen ook voor dat de zwaksten over koopkracht beschikken. Aristoteles zegt verder dat het goede leven verbonden is met de intrinsieke goedheid van doelen. Kwaad geschiedt dan als de doelen verdrongen worden door extrinsieke beloningen. Zucht naar eer, macht en geld verdringt alles.
Tot slot moet een markt waarin alles te koop is grenzen hebben aan wát er te koop is. Vriendschap en liefde kunnen niet gekocht worden. Andere zaken wekken verontwaardiging, zoals het te koop aanbieden van menselijke organen. Dit wordt beschouwd als een aantasting van menselijke waardigheid.