Ethiek & milieu

Algemeen
Natuurethici gaan ervan uit dat de relatie van de mens met de natuur zowel technisch moreel problematisch is. Er is sprake van een verstoorde relatie, veroorzaakt door allerlei denkbeelden en warden. Ethiek schiet daardoor tekort richting de natuur en dat moet verbeterd worden. Die verbeteringen kunnen gebaseerd zijn op anders denken en andere waarden en op die manier vernieuwend werken naar ethiek in het algemeen.

Opkomst
Rachel Carson gaf het startschot met een boek in de jaren zeventig. (Silent Spring – een lente zonder vogels door bestrijdingsmiddelen). Aanvankelijk onderzoek of correctie makkelijk of drastisch moest. Onderzoek naar oorzaken op allerlei gebied (religieus en cultureel). Veel meningen berustten op de instrumentele en manipulatieve mens richting de natuur. Ook ziet de mens de natuur als object, niet als subject. De relatie lichaam-geest van de mens maakt ook de natuur slechts uitwendig. Sociaal-economische kapitalistische motieven lagen ook ten grondslag aan de bejegening van de natuur.
Leopold beschreef de integriteit van de natuur. Nog steeds van invloed in Amerika.
Verder was er veel aandacht voor de ethiek zelf, waren de ethische theorieën intrinsiek ook schuldig aan verwoesting van de natuur. Routley beschreef de intrinsieke waarde van de natuur, zonder menselijke waarden. Passmore ging daar weer tegenin omdat de ‘oude’ ethiek waarden als verantwoordelijkheid in zich heeft dat prima aangewend kan worden.

(Non-)Antropocentrisme
Alleen de mens heeft een morele status (normatief antropocentrisme). Alle wensen en belangen van de mens moeten meetellen in de ethiek. Meer algemeen stelt antropocentrisme dat ethiek impliciet dan wel expliciet een menselijk gezichtspunt veronderstelt (epistemisch antropocentrisme). De mens is dan de enige verstaander van ethiek.
Non-antropocentristen zoeken waarden, status, consideratie die ook gelden voor niet-mensen. In brede zin moet het menselijk gezichtspunt niet als vanzelfsprekend worden gehanteerd. Waarden in de natuur bestaan dan zonder waardering van de mens. Dit laatste wordt feller bekritiseerd (door normatief-antropocentristen uiteraard); een boom leeft beter met schoon water, maar dit kan de mens beoordelen op moreel gebied, de boom niet. De natuur is een verzameling hulpbronnen en heeft op zich geen morele status. De natuur is dan problematisch niet intrinsiek, maar voor diegenen voor wie de natuur van waarde is. Milieuproblematiek is zo terug te voeren op onverstandig gebruik van hulpbronnen.
Ook rekening houden in dit verband met toekomstige gebruikers is van belang. Het begrip duurzaamheid speelt hier ook een rol – een goed voorbeeld van antropocentrische milieuethiek.
De meeste milieuethici menen echter dat de natuur toch een eigen morele status moet hebben. Intrinsieke waarde betekent waarde op zichzelf, zonder de bepaling of de natuur van nut is. Breder gezien is het bestaan van waarde zonder erkenning van de mens hiervan. Dus is de waarde van de natuur er zonder of met erkenning van de ethische mens. De lange discussie hierover is verstomd, qua omgang met de natuur maakt het namelijk weinig uit.

Morele gemeenschap
Eerst werd de morele gemeenschap uitgebreid met mensen buiten de clan, de staat, de slaven, arbeiders, kinderen enz. Door de milieuethiek wordt de gemeenschap ook uitgebreid met de toekomstige mensen en uit zich veel in de term duurzame ontwikkeling. Rechtvaardigheid buiten de generaties en binnen de generaties gelden als voorwaarde voor een duurzame ontwikkeling. ook ontwikkeling wordt binnen het milieuvraagstuk getrokken. Armoede is zowel een oorzaak als een gevolg van milieuproblematiek. Ongelijkheid moet dus worden opgeheven.
De Ecologische Voetafdruk (EV) is een belangrijke maatstaf voor het gebruik van hulpbronnen – wat heeft de gemiddelde inwoner nodig voor consumptie. Dit wordt omgerekend naar een oppervlakte (hectare). 1,8 ha per inwoner is ideaal. Als we meer consumeren hebben we meer dan 1 aarde nodig.

Zoöcentrische ethiek
Voor Kant gold bijvoorbeeld dat het dier een ding was. Dierenmishandeling was indirect slecht: het zou tot verruwing tussen mensen kunnen leiden. Peter Singer stelde dat het criterium van denken en spreken, dat de mens verheft boven het dier, dus ook niet opgaat voor zuigelingen en demente bejaarden. Het vermogen om te lijden geeft toegang tot de morele gemeenschap, zegt Bentham. Dit heeft gevolgen voor de dieren en de omgang met dieren door mensen. Maar Bentham was een utilist. Hier geldt dan weer dat het grootste geluk voor het grootste aantal kan impliceren dat collectieve belangen ondergeschikt worden wanneer iets meer plezier dan pijn oplevert. Het ongerief van dieren wordt dan afgewogen in een utilistische calculus tegen het voordeel voor de mensen (voeding, beschutting, genezing). Dierproeven gaan dan voor en vegetarisch is dan onzin als je de dieren pijnloos afmaakt. Daarom moeten dieren bepaalde rechten krijgen volgens Regan, maar hij beperkt dit tot zoogdieren. Dit leidde echter wel tot de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren.

Biocentrische ethiek
Overdacht van ethische waarden gaat nog, maar naar planten gaat veel mensen te ver. Planten hebben dan geen intrinsieke, maar een instrumentele waarde. Discussie speelt wel bij genetische modificatie. Getracht wordt dan een positieve toepassing van de modificatie te geven. (voedselprobleem, medicijnen, minder belasting van het milieu enz). Tegenstanders worden wel afgeschilderd als dwarsbomers van vooruitgang. Tegenstanders grijpen naar Taylor die zegt dat alle organismen met gelijke zorg en respect behandeld moeten worden. Men voert dan integriteit naar planten aan. Cyclus mag dan worden verrijkt of versneld maar niet worden verbroken.

Ecocentrische ethiek
In ecocentrische ethiek draait het niet om individuele organismen zoals hiervoor maar om het hele systeem. Een holistische benadering, slechts levensgemeenschappen en hun biotopen hebben morele relevantie. Een soort economie van de natuur, waarbij organismen een rol vervullen in de voedselketen. Een kringloopsysteem van energie, materie en informatie. Individuele elementen hebben dan geen recht op leven, ze vormen onderdeel van doorgifte van energie en het draaiende houden van het systeem. De morele plicht bestaat dan uit het in leven houden van zoveel mogelijk soorten.
Er ontstond strijd tussen de individualistische benadering (denken vanuit individu leidt tot het in stand houden van het systeem) en de holistische benadering (er is geen onderscheid tussen wat voor (gecultiveerde, zeldzame of niet) soorten dan ook.
Calliott zocht een tussenweg met cirkels. (1) een cirkel met mensen, (2) een cirkel met mensen en huisdieren en planten en (3) een cirkel met een wijdere biotopische gemeenschap. Repercussies uit de grotere gemeenschap hebben dan effect op de kleinere cirkels.

Natuurontwikkeling
Toch speelt de discussie nog steeds. Paarden bij de Oostvaardersplassen: moet je wel of niet bijvoederen en laten verwilderen. De discussie zou kunnen eindigen door het verwilderen als een langdurig proces te zien: een soort potentiële wildheid, een tijd waarin beide benaderingen (tam en ondersteuning – wild en laten geworden) waar zijn. De voorstanders van ingrijpen vatten dieren en mensen op als gemeenschap; of: we hebben een impliciet contract met dieren: voedsel en onderdak in ruil voor diensten van het dier. Er kwamen richtlijnen wanneer afblijven, zorgplicht en respect voor potentiële wildheid van toepassing was.
Natuurontwikkeling beweegt zich meer van de bemoeizuchtige rentmeester mens naar een potentiële ongerepte wildheid. De mens zelf is echter ook gecultiveerd. Het wilde is het ongepolijste, ongevormde en vormt in principe een bedreiging voor de orde. Mensen tegen wildheid zien wildheid dan als verwildering en verwaarlozing. Aan de andere kant is alles overgereguleerd en maakbaar en lijkt wildheid een tegenhanger voor cultureel onbehagen. We worden aangetrokken door het rauwe en tegendraadse. Een authenticiteit die voorafgaat aan menselijk waarderen.