Ethiek & recht

Algemeen
Het goede, juiste en rechtvaardige is gevat in regels en wetten. Het tijdselement verandert de opvattingen. Echter zijn er ook wetten die moreel neutraal zijn (bv rechts houden in het verkeer). Wetten komen in werking vaak tussen vreemden of in affectieve relaties (persoonlijk, maar ook in een vereniging bv) bij conflicten. Het recht wil vrede stichten in de sluimerende agressie tussen vreemden. Toch is het recht geen moreel dwangsysteem dat verplicht tot verregaande solidariteit.

Vrede tussen vreemden
Vrede behouden door het stellen van grenzen. Deze grenzen moeten bindend zijn en gerespecteerd worden wederzijds. Dit heet de minimale wederkerigheid of natuurrecht. Minimale recht niet overal aanwezig en er heerst soms een gewapende vrede. Ook onrechtvaardige regels maken blijkbaar (van oudsher) ook deel uit van het recht, aldus de rechtspositivisten. Anderen stellen dat ook het recht een ontwikkeling doormaakt en is tevens een kritische toets voor het handelen der machtigen. Recht en rechtvaardigheid zijn nauw verbonden. Wetgevers en rechters moeten rechtvaardigheid ook serieus nemen.
Natuurrecht gaat erg uit van vrede tussen vreemden. Hoe ontstaat duurzame vrede? Uit het wezen van de mens spreekt zijn doel en daarmee zijn rechten. Logos (rede, waarneming, voelen e.d.) onderscheidt de mens van het dier. Dit is de menselijke waardigheid die het natuurrecht erkend. Mensenrechten en natuurrechten gaan vooraf aan elke sociale orde. Maar daarvoor waren bij de Romeinen als vuistregels: (1) eerlijk leven, (2) niemand schade toebrengen en (3) aan ieder het zijne toedelen. Ethische theorieën omvatten alle min of meer deze vuistregels. Oprechtheid verwijst naar teleologie (Aristoteles), niemand schade toebrengen verwijst naar plichtethiek (Kant en Mill) en de verdeelde rechtvaardigheid uit de deugdethiek (Aristoteles), de plichtethiek (Kant) en de institutionele ethiek (Rawls). De vuistregels zorgen niet alleen voor vrede maar ook voor vertrouwen als basis voor een gemeenschap.

Sociale- en rechtsplichten
In een samenleving komen mensen hun juridische, morele en sociale plichten na. Ook jegens onbekenden kan dit (donaties, contributies e.d.). Er zijn ook andere bronnen voor morele binding dan het recht. Religie is hier een belangrijke van. Morele en sociale plichten zijn dikwijls niet afdwingbaar en worden vaak als deugden opgevat.
Bepaalde plichten zijn omschreven rechtsplichten en afdwingbaar (mutualiteitsmoraal). De onbepaalde plichten zijn van affectieve of sociale aard en zijn niet strikt omschreven (reciprociteitsmoraal). Bepaalde plichten garanderen het gemeenschapsleven. Onbepaalde plichten bepalen de kwaliteit. Kinderen zijn bijvoorbeeld erg afhankelijk van onbepaalde rechtsplichten, anders leiden ze een liefdeloos bestaan. Slechts juridische verplichtingen is voor de hele samenleving te weinig basis (zorg, loyaliteit, onderwijs); het strikt uitvoeren van juridische plichten leidt tot onvrede. Zelfs in het positieve recht staat dat iedereen zich zorgvuldig en betamelijk moet gedragen.

Wederkerigheid
In de gift ligt de religieuze oorsprong van het nakomen van plichten (Ricoeurs); het onderhouden en doorgeven van de wereld. Het geboren worden verplicht tot deze gift (Hannah Arendt, Virginia Held). Je geeft het leven door, met liefde. Almaar geven gaat echter te ver en over de grens, dit is pathologisch en doet zelfrespect, moed verdwijnen. Er moet evenwicht zijn tussen geven en ontvangen.
De gift komt nog sterker terug in de antropologie en is de grondslag voor elk vreedzaam samenleven. In de gift is de geest van de gever aanwezig, deze zelfverbinding verplicht tot een wedergift anders ontstaat een schuldgevoel. Maar ook hier ligt misbruik op de loer door het verplichte karakter van het retourneren, dit voert bijvoorbeeld ook door in relatiegeschenken. Teveel verplichtingen worden ook benauwend, zeker als sociale verplichtingen ook nog eens ongelijk zijn verdeeld op basis van een inferieur criterium (manager, vrouwen, racisme).
Bij rechtsplichten staat de zaak centraal, bij sociale plichten de persoon.
De wederkerigheid zorgt voor het plichtsbesef. Die wederkerigheid ligt in onze structuur van reflectie opgeslagen, de waarneming keert terug in de cognities. Zo komt ook de verhouding tot de ander tot stand. Erkenning komt voort uit herkenning, hetgeen leidt tot minder angst en agressie. Deze herkenning stoelt op een derde element, de familie bijvoorbeeld, of sociale verwantschap of het recht. De erkenning op zich is ook wederkerig. Dit circulair proces met ondergeschiktheid van goederen en diensten aan familie of sociale binding, heet reciprociteit. Eigenbelang (het terugkrijgen) speelt een rol, maar is niet bepalend omdat de sociale groep of familie de regels voorschrijft. Schending van de wederkerigheid kan zelfs geweld op gang brengen.

Bemiddeling
Vanuit de historie waren de afhanelijkheidsverhoudingen sterk en wederkerig (koning-vazal, kerk-gelovige, meester-leerling enz.). Plichten onbepaald en berusten op gewoonterecht en een somber geloof. De Verlichting drukte dit weg. Feodale verhoudingen waren slecht en vrijheid en gelijkheid kwamen op de voorgrond. De individu werd het centrum. In een sociaal contract kwamen partijen wederkerige plichten ten aanzien van vrijheid, gelijkheid en eigendom overeen. De staat werd hiervan toezichthouder. De relatie koning-vazal e.d. was afkoopbaar. Bindingen tussen vreemden dus op basis van contracten (mutualiteit). Sociale contracten werden dus gereduceerd, met het argument dat een individu de beste verdediger van eigen belangen is en zich niet willen laten dwingen tot afhankelijkheidsverhoudingen. Adam Smith beoogde nog dat privé-eigendom en innovatie zou leiden tot vooruitgang voor iedereen en een publieke moraal met zich meebracht dat onbetrouwbaarheid zich uit de markt zou prijzen. Eigendommen waren de grenzen, gescheiden door een contractualistische ethiek.
Contracten werkten echter niet ethisch. Uitbuiting en sociale uitsluiting waren het gevolg. Zonder eigendom kon je slechts arbeidskracht verkopen. In een klassenstrijd tussen arbeiders en kapitalisten ontstond opnieuw een sociaal contract met vrijheid en gelijkgeid, toen voor vrijmaken van feodale verhoudingen, nu ter emancipatie van arbeiders. De staat had niet meer een passieve toezichthoudende rol, maar een actievere via sociale wetgeving mbt verhoudingen tussen burgers. Collectieve verzekeringen tegen armoede, werkloosheid en arbeidsongeschiktheid. Contractpatijen werden ook verplicht bepaalde plichten na te komen en burgers dienden fatsoenlijk en betamelijk te handelen. Het schadebegrip werd ruimer.

Institutioneel
De staat wordt geacht een structuur te bieden die de sociale vrede bewaakt, vertrouwen wekt en solidariteit tussen vreemden bevordert. Daarom moet de staat de rechtsbeginselen van de burgers respecteren. Vrijheid en gelijkheid van burgers bijvoorbeeld. Het sociaal contract geldt dus voor burgers onderling en voor burgers-staat.
(1) Allereerst is er de grens tussen private (klassieke grondrechten) en publieke sfeer. Private rechten alleen inperken als het ten koste gaat van het algemeen. (2) Er zijn ook grenzen binnen de publieke sfeer, de trias politica; de wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende macht. Daarbinnen is er een scheiding tussen de persoon en de ambtsdrager, persoonlijke belangen worden daarbij opzij gezet. (3) Vrijheid van pers, meningsuiting, onderwijs, wetenschap, geloof enz om onafhankelijke tegengeluiden te uiten, maar ook hiertussen bestaan grenzen. De journalist heeft een grens met de politicus enz om die onafhankelijkheid te borgen.
Deze instutionalisering leidt tot hoog vertrouwen en rechtvaardigheid. Naast klassieke grondrechten kwamen sociale grondwetten. De staat werd veplicht minderbedeelde burgers te beschermen. Dit greep in op solidariteit en inkomensverdeling. Zorgvuldigheid, proportionaliteit, subsidiair, motiveing en behoorlijk bestuur deden meer de intrede.

Wankel evenwicht
Er is een wankel evenwicht tussen mutualiteitsmoraal (Law of Justice) en reciprociteitsmoraal (Law of Love). Vreemdelingen hebben geen gemeenschappelijke basis met de oorspronkelijken waardoor herkenning en erkenning ontbreekt. Er is weinig basis voor wederkerigheid en vaak worden alleen de strikt omschreven plichten nagekomen. Er is daardoor behoefte aan extra bemiddelende instanties. Er moet op uitwisseling van gezamenlijkheid gestuurd worden. Dat kan in taal, arbeid, sport. Dan treedt de wederkerigheid op en daarmee van achterdocht (mututeel) naar (reciproke) vertrouwen.
Binnen huwlijken worden taken nagenoeg gecontractualiseerd, gedetailleerde regels voor verdeling van inkomen, goederen en zorg voor kinderen.
Ook in het onderwijs gebeurt dit. Onbepaalde plichten worden contractuele verhoudingen. Niet de beroepsethiek telt, maar de studiepunten en contacturen.
En dit geldt natuurlijk net zo binnen de zorg. Van reciprociteitsmoraal nasr mutualiteitsmoraal. Steeds minder een vertrouwenswaardige relatie tussen arts en patiënt, maar meer een contract, standaardisering en protocollering van behandelingen.
Ook tussen overheid en burgers vindt dit plaats, zeker met de toenemende privatisering. De ambtelijke moraal verdwijnt daarmee naar de achtergrond. Dit was onpartijdig en belangeloos het algemeen belang dienen, als rentmeester. De private belangen gaan winstgedreven verder.
Neoliberalisme zorgt zo voor een contractualisering van reciproke verhoudingen. Daarmee verdwijnt het evenwicht tussen mutualiteitmoraal (contractualistisch) en reciprociteitsmoraal (deontologisch). Dit leidt dus tot vervreemding.