Het leven van middenstanders kent ook nukkige dagen. Dat is logisch, we zijn allemaal mensen, nietwaar? Helaas was de man, die fietsen ging verhuren aan mij en mijn zoons, niet van zins het zonnige weertje te voorzien van een dito humeur.

Nurks hoorde hij onze wens aan.
‘U heeft net gebeld,’ was zijn zwartomrande conclusie.
Het klopte. Na mijn telefonisch informeren aangaande de beschikbaarheid van stalen rossen was zijn antwoord slechts:
‘U moet dan direct komen, het loopt hard.’

Wij kwamen toen maar direct. Maar bij het zien van het aantal fietsen, waarop een beetje peloton gemakkelijk weg zou kunnen demarreren, leek mij zijn maning tot haast schielijk overdreven.

‘Dat is dan honderdacht euro,’ luidde het vonnis bij de kassa. De tijding viel niet lekker. Een huivering kroop mij over de rug en de zonnebril van mijn zoon viel met een droge tik op de grond. Met open mond keek ik de man aan.
‘Het is negen euro per fiets per dag,’ zei hij bars. Hij keek even opzij.

Omdat het zo warm was had de man een ventilator in de zaak geplaatst. Een vrouw stond er pal voor en laafde zich ongegeneerd, met opbollende jurk, aan de frisse luchtstroom. Het zag er onsmakelijk uit. Niet voor de fietsenboer, evenwel.
‘Ik kom er zo aan schat,’ zei hij. Zijn toon was opeens wat hoger. Vriendelijker ook.

‘U rekent vandaag als hele dag?’ vroeg ik, ‘het is al half drie.’
Een wolk trok over het gezicht van de man, alsof er een schakelaartje omgezet werd.
‘U kunt tot twaalf uur vannacht fietsen,’ zei hij slechts.

Om teleurstellingen te voorkomen en aangezien we snel naar het strand wilden betaalde ik de honderdacht euro. Op zachte banden reden we naar het strand. Op damesfietsen.

Dinsdags moesten we de fietsen weer inleveren. Het was vijf uur in de middag en, zittend op het strand in een smoorhete atmosfeer, besloten we ter plekke te blijven. We konden er ook eten en we wilden pas in de avond terugfietsen.

Ik belde de fietsenman.
‘Zeg, is het erg als we de fietsen morgenvroeg inleveren, we willen graag nog even op het strand blijven,’ vroeg ik.
‘Dat is vijfvijftig per fiets,’ antwoordde de man slechts.
‘Vijfvijftig?’ vroeg ik verbaasd, ‘ik mag toch tot vanavond twaalf uur nog fietsen?’
‘U kunt de fietsen vanavond tot zes uur terugbrengen, dan sluit ik de winkel,’ was het antwoord. ‘U kunt de fietsen ook morgen inleveren, dan wel voor tien uur ’s ochtends, anders reken ik negen euro per fiets,’ vervolgde hij.

Om teleurstellingen te voorkomen en aangezien we graag op het strand wilden blijven, stemde ik toe, zij het met afgezakte onderkleding.

Het is woensdagmorgen, als we weer voor de kleine gestalte van de fietsenverhuurder staan, aan wie elke commerciële les voorbij is gegaan. Hij heeft al een A4-tje klaarliggen waar met een zeer groot lettertype het woord ‘Factuur’ op staat. Ik ben al de trotse eigenaar van zo’n A4-tje. Nu heb ik er twee.

‘Tot de volgende keer!’ roept de man, als we de winkel verlaten. Het klinkt als een bevel.
Alledrie blijven we staan en kijken om. We staan klaar om ons hoofd te schudden.
Maar de man kijkt niet naar ons, maar maakt zich net uit de voeten.
‘Ik kom eraan schat!’ roept hij.

Een Nederlandse schrijfster zei eens: ‘Al is een man zo lelijk als een aardappel, als hij geld heeft, kan hij een mooie meid krijgen. Omdat vrouwen dol zijn op geld.’

Hoewel je nooit mag generaliseren, slaat het wel degelijk op deze man. Vrolijk groetend verlaten we voorgoed zijn handeltje.
 
 
fff
 
2014