Monter fietsten we naast elkaar. Vader en zoon. Op weg naar een onbekende bestemming. Het was zondagmorgen en we hadden alle tijd.

Het eerste deel van de tocht verliep staand op de pedalen, met luidkeelse bewondering mijnerzijds voor zijn capriolen. Eigenlijk vond ik het eng, maar liet hem begaan.

Verder fietsten we. We hielden pauze op een bankje en gooiden stenen in een sloot. We aten boterhammen. We gaven elkaar schouderduwen. We riepen naar de paarden en loeiden als koeien.

Opeens keek hij me intens aan. Grote blauwe, wijze ogen.
‘Wat is er jongen?’ vroeg ik zacht.
‘O niks,’ zei hij, ‘ik kijk je even lekker aan.’

Hij sprong weer op de fiets. Soepel en ogenschijnlijk zonder enige krachtsinspanning draaide hij de pedalen rond en was binnen twee seconden tien meter vooruit. Zijn heldere lach vulde het gehele fietspad en de bossen eromheen. De vogels hielden even stil en keken welwillend neer op het lange jochie met het korte, blonde haar.

Verder fietste hij. Ik wilde roepen maar een plotselinge brok in mijn keel belette enig geluid. Verder fietste hij. Het was zondagmorgen. Een jongen fietste zijn kinderjaren uit. Ik zette aan. Ik wilde graag bijblijven.

 
image531  2013

   2017