Wat een genot

‘U kunt al uw kleren uitdoen. Als u klaar bent klopt u maar even op de deur. Dan kom ik u halen.’ Met deze volzin vertrekt de verpleegster en dreunt de deur achter haar in het slot.
Gelaten kleed ik mij uit in het nauwe hokje van twee bij twee. Bloterig sta ik daar, als ik braaf drie klopjes geef op de deur.

Ik wil net nóg een keer kloppen als de deur openzwaait, waardoor ik met opgeheven arm sta, alsof ik het antwoord weet op een vraag van juf. De verpleegster stormt al richting operatietafel. Daar staan nog drie verpleegsters.
Ja, daar sta je dan, als blote man, onder toeziend oog van vier vrouwen. Even wennen. Ik zwaai wat onhandig met mijn armen, die delen van het lichaam een beetje verbergend waar ik juist aan geopereerd ga worden.

Want na vier kinderen is het wel mooi. Vier knapen, allen naamdragers. Het voortbestaan van het geslacht is overduidelijk gewaarborgd. Je overlegt met je vrouw en gaat moedig naar de dokter.
‘Ach man, dan leg je d’r toch een knoop in!’ riepen collega’s in koor, toen ik het onderwerp voorzichtig aansneed. Desgevraagd bleek driekwart van de mannelijke collegapopulatie er ‘een knoop’ in te hebben liggen.
‘Zo gepiept hoor, ’s middags zit je weer op het werk,’ verzekerden ze allen.
‘Het kan wel wat warm aanvoelen,’ zei nog een enkeling.

‘Kom maar verder hoor, we bijten niet,’ zegt de chirurg, die inmiddels aan is komen lopen, ‘gaat u hier maar op de tafel liggen, de zuster zal u even ontsmetten.’
Ja, dan ga je liggen. En word je ontsmet. Een watje in de tang, watje in de jodium en je hele zaakje wordt zeer koud ontsmet. Mocht je, zoals veel mannen dat blijkbaar hebben, nog enige trots hebben omtrent het formaat van je mannelijkheid, dan wordt met het zeer koude jodium het laatste restje eigenwaarde grondig ontsmet.

‘Ik geef u even twee vrij pijnlijke injecties!’ roept de chirurg monter.
Ach, die injecties hè? Dat is eigenlijk nog niet het ergste. Pas als het gedonder met scalpels en klemmen begint moet je op gaan passen.

Binnen de minuut krijs ik het uit van de pijn. De chirurg heeft het zweet op de kop staan en de verpleegsters worden zenuwachtig. Een van de verpleegsters let niet goed op en komt te dichtbij. Ik grijp haar bij de arm als een drenkeling in doodsangst.
‘Ja u hebt vrij korte zaadleiders,’ zucht de chirurg na een minuut of wat, die zó lang duren dat het lijkt alsof een gehele aflevering van ‘ER’ is uitgespeeld. De chirurg heeft inmiddels de mouwen opgestroopt zodat de gelijkenis met de slager wel erg frappant wordt.
‘Dat is wel een beetje pech hebben,’ voegt hij eraan toe, ‘we kunnen ook een andere keer de andere kant doen hoor.’
Het klinkt bijna of hij het zelf ook niet meer ziet zitten, maar ik bedenk dat ik nooit weer in deze horrorkamer terugkom en beduid dat hij door moet gaan. De chirurg geeft een klopje op mijn schouder, het is best een geschikte peer, niet zo’n bal.

Als ik, na deze oneindige legitieme marteling, weer terug ben ik het hokje van twee bij twee, helpt de verpleegster mij in de kleren. Ik kan niks meer. Ik zie de blauwe plekken op haar armen en verontschuldig mij stamelend. Ze lacht. En geeft wat tips. Een kanjer.

Weken strompel ik nog voort en voel de lachende bekken van de collega’s achter mijn rug. Want het is een humorvol onderwerp met jezelf als lijdend voorwerp. Er komen geen zonen meer bij. Het kunstmatig voorkomen van het krijgen van kinderen heeft in basis een genotsaspect in zich. Hou dat goed voor ogen.

 

operatie-doktoren-in-groene-jassen

 
2009