Getto

Het nog uit kloeke bakstenen opgetrokken flatgebouwtje stond er al wel dertig jaar. Zo lang woonden ze er ook. Hij stond op het balkon met een rokend stompje tabak tussen de bruin geworden vingers. Hij keek omlaag, naar de verwaarloosde perken rondom de flat, de twee sloopauto’s op de parkeerplaats en de jongeren die hem gewekt hadden. Een meisje keek omhoog en stak haar middelvinger in de lucht. Gelukkig liepen ze verder.

Hij zoog het laatste restje tabaksrook naar binnen, brandde zijn vingers en gooide het overblijfsel naar beneden. Hij zou maar weer naar bed gaan, naar Marie. Ze was gelukkig niet wakker geworden. Ze was zo bang de laatste tijd. Maar er was geen geld voor kalmerende middelen.

Dertig jaar. Hij mijmerde nog even. Dertig jaar geleden betrokken ze vol trots de moderne flat. Het waren dure appartementen, maar ze konden het betalen met zijn goede baan bij de post. Een gegoede buurt, waar de kinderen groot waren geworden. Waar ze gelukkig waren. Hij zuchtte. Gelukkig had hij het appartement kunnen behouden omdat het grotendeels was afbetaald toen ze hem een schop gaven.

Zijn blik gleed langs de galerij, waar vuilniszakken, speelgoed, oude fietsen en opgedroogde plekken kots elkaar afwisselden. Flats van pooiers, kansloze immigranten, junkies en gesjeesde studenten. Verreweg de meesten zonder werk. Grauwe ramen, vieze deuren, scheuren in de muren. En dan hun eigen woning als stralende schone parel tussen de drek. Een lichtpunt van reinheid in de vale hopeloosheid van de rest. Afwezig beroerde hij de blaadjes van de hanggeraniums.

In de verte klonk dreunend vuurwerk. Hij draaide zich om en ging weer naar binnen. Hij sloot snel de deur om te verhinderen dat Marie wakker zou worden van de luid toeterende auto die langsgierde. Hij slofte op zijn pantoffels langs de tafel en zijn blik viel op de krant.
“EINDE CRISIS IN ZICHT” las hij.

Hij geloofde er geen reet van. De wonden waren te diep. De crisis was net begonnen.