Samen stonden ze in de deuropening, Karel en Frederika. Karel in de zestig, Frederika begin vijftig.
“Alternatievelingen,” zou de buurvrouw thuis geringschattend zeggen, haar neus ophalend.
Karel had schouders die een zwaar lot torsen deden vermoeden en Frederika moest zeer nodig naar de tandarts.

Beiden schudden ze ons hartelijk de hand, waarbij je bij Karel het gevoel had in knakworstjes te knijpen.
“Ja, ik had al berekend dat het wel een uur of vier zou zijn eer jullie er zouden zijn,” zei Karel op een toon alsof hij de bingogetallen voorlas. Frederika hees even de legging op, die ze onder het gewaadje droeg.
“Jullie willen vast wel even wat drinken,” zei ze energiek, zodat het Karel’s gemurmel ruimschoots compenseerde.
Ja, och, dat wilden we wel.

We liepen door een woning die net gebombardeerd leek. Meubels waren willekeurig verspreid over de vertrekken. Sierpleister bungelde aan de muren en overal stonden grote kunstwerken, in fluorescerende kleuren, gewoon op de vloer. Het hele huis was doordrenkt van een kwalijk riekende terpetinegeur. Ik hoestte luidkeels.

“De stukadoor komt morgen,” zei Karel droogjes, “ik ben bezig met voorstrijk.”
“Ja we zijn vorige week verhuisd!” nam Frederika over, “zo heerlijk om hier te zijn!”
Wij haastten ons te beamen hoe heerlijk het hier was.

We liepen naar het terrasje achter de woning. Noord-Frankrijk. We huurden een vakantieverblijf van Karel en Frederika en zouden een paar dagen blijven. Gelukkig niet in deze woning, ons onderkomen was drie kilometer verderop gelegen.

“Ik heb hier nog wat chips, ze zijn wel wat scherp hoor,” zei Frederika. Ik zag mijn zoon al meesmuilen en lachte in mijn vuistje. Letterlijk, want ik kuchte de laatste voorstrijk eruit.

“Wonen jullie al lang in Frankrijk?” vroeg ik maar eens.
“Oh, al tien jaar,” zei Frederika, “dit is ons derde huis.”
“Waar komen jullie oorspronkelijk vandaan?” antwoordde ik.
“Nou we hebben twintig jaar in Engeland gewoond!” riep Frederika. Karel kneep de ogen dicht en wendde het hoofd naar de zon.
“Ja, ik bedoel eigenlijk, waar kom je vandaan uit Nederland?” zei ik. Mijn andere zoon begon wat onrustig op zijn stoel te schuiven. Zijn cola had hij in een teug naar binnen gegoten en hij onderdrukte een boer.

“Nederland?” Frederika keek me verbluft aan, “o, Rotterdam. Ja ooit.”

De laatste woorden waren haast fluisterend gesproken. De spanning was tastbaar. Een wolk trok voor de zon en Karel en Frederika keken elkaar even aan en keken toen allebei naar de grond. Karel liet het stukje scherpe chips uit de vingers glijden.

Mijn stoel kraakte en de boer van mijn zoon kwam er toch nog uit. Een bevrijdend geluid waar ik dankbaar voor was.

Karel veerde op en Frederika glimlachte, waarbij de scheve tanden richting mijn zoon wezen.
“Nou nou, dat komt zeker door de chips!” riep ze opgelucht, “ik zal er even een zakje omdoen, dan kun je ze meenemen!”
Mijn eerstgeborene keek vernietigend naar zijn broer en ik lachte hardop. De zon scheen weer.

Na wat handjes schudden volgde de terugtocht door de terptinehel en gingen we even later op weg naar de vakantiewoning.

Ze keken ons na, weer vanuit de deuropening. Ze zagen er wat troosteloos uit. Frederika zwaaide gematigd en Karel keek omhoog naar de lucht.

Een Amerikaans schrijver zei eens:
We can never flee the misery that is within us.

 

image10

2011.