Collega’s heb je in soorten en maten, hoewel de bandbreedte beperkt blijft doordat de chef een bepaald type medewerker selecteert in sollicitatiegesprekken. Zo is hij omringd door klonen, die net iets minder kunnen presteren dan hijzelf. De neuzen dezelfde kant op staat immers hoog in het vaandel. Maar goed, enige differentiatie binnen de collegapopulatie is er natuurlijk wel. Er zitten zelfs lachebekjes tussen.

Zo niet de man die op de kamer arriveerde helaas. Hij begon zomaar breedsprakig uit te leggen dat het privégebruik van middelen van de werkgever uit den boze is.
‘Je hebt mensen die naar hun vrouw bellen met de mobiel van het werk,’ zo reciteerde hij, ‘ik vind dat niet kunnen. Je moet gewoon zorgen dat je op tijd bent.’

Een punctuele geest. Zelfs na uitleg over het incalculeren van enig privégebruik door de werkgever en het slim afsluiten van contracten bleef hij een echte hardliner.
‘Ik let er altijd heel goed op. Niemand thuis mag aan die telefoon zitten en zelf heb ik mijn eigen mobiel altijd bij me om daar een privégesprek mee te voeren. Als ik een collega bel en het gesprek krijgt een privéwending, dan pak ik mijn eigen toestel en zetten we het gesprek daarna voort.’

Ik voelde een lichte hoofdpijn opkomen en onderdrukte een geeuwtje. Ik besloot de man te prijzen voor zijn nobel en zuiver gedrag. Iemand gelijk geven verstomt immers het snelst een gesprek. Maar zo gemakkelijk kwam ik er niet af. Integendeel, het pad van de telefonie werd verlaten.
‘Ja, net zo als mailen en internet.’
Zijn toon kreeg de wat galmende teneur die men vaak aantreft bij mensen achter spreekgestoelten.
‘Iedereen mailt maar met elkaar en laatst zag ik een collega die gewoon via internet radio aan het luisteren was. Het moet toch niet gekker worden. Dat kost de baas mooi een kapitaal, als iedereen met zijn eigen dingen bezig is in plaats van met het werk. Ze moesten veel meer mensen controleren en alles loggen. Wat mij betreft stuur je iedereen naar huis die zoiets doet.’

Met prikkende oksels probeerde ik hem iets bij te brengen over prestatiecurves, spanning en ontspanning, targets en aanwezigheid en de versmelting van werk- en privéleven. Maar hoeveel ik ook wierp in deze fruitautomaat van deugdzaamheid, de kwartjes wilden niet vallen.
‘Ja, ja ja ja ja ja,’ gaf hij terug, mij zeer scherp opnemend. Zienderogen viel ik in een heel verkeerd vakje bij hem. Hij stond dan ook op.
‘Ik ga weer naar boven. Ik zit hier eigenlijk al wat te lang. Ik ga maar weg om kwart over vijf, in plaats van vijf uur,’ mompelde hij toen hij de kamer verliet.

Even later kwam ik hem weer tegen bij de liften. Er was druk liftverkeer en kennelijk stond hij al enige tijd te wachten. Om het wachten te bekorten drukte ik op de knop van de goederenlift, waar we ons als levende have ook wel even in konden verplaatsen. Na een halve minuut arriveerden beide liften echter gelijktijdig. We stapten allebei in de personeelslift.

‘Ja, nou heb je voor niks die andere lift naar boven geroepen. Dat is zonde!’ riep de man, zeer geërgerd. Kwaad keek hij mij aan.

Ik ging maar met de trap.

Ik was al drie banen verder en was het hele voorval allang vergeten toen ik hem jaren later terugzag in een winkel voor tweedehands goederen. Ik zocht er een oud tafeltje voor in de hal en liep hem tegen het lijf. Hij zag er slecht uit. De eens zo trotse en onberispelijke verschijning was ongeschoren, mager en had het haar verwilderd op het hoofd. Rond zijn mondhoek zat een grote nicotinevlek. Hij griste het tafeltje, dat slechts vijf euro moest opbrengen, agressief voor mijn neus weg. Hij keek me kort aan. Ik zag dat hij me herkende, maar eer ik wat kon zeggen beende hij resoluut weg.

Ik herinnerde me het massaontslag van het bedrijf van vorig jaar. Het had uitvoerig in de kranten gestaan. Ik had medelijden met hem. Een man met hart voor de zaak. Helaas had de zaak geen hart voor hem.