Het idee kwam zomaar, middenin de nacht. Zonder waarschuwing of voorafgaande onrust. Hij had het wel vaker gehad, dat er in het holst van de nacht een idee in zijn dromen ontsproot waar hij wakker van werd. Meestal was hij het ’s morgens weer vergeten, hoezeer hij zijn hersens ook pijnigde om zich het te herinneren. Op het moment dat het leek dat hij het idee beet kon pakken glipte de herinnering er definitief vandoor. Hij was zelfs wel eens zo gek geweest om pen en papier naast zijn bed te leggen om het idee op te schrijven, maar als hij dan wakker werd in de vroege ochtend sloegen de aantekeningen nergens op of bleek het idee beter te passen bij het denkwerk van een vierjarige.

Dit keer was het anders. Hij was klaarwakker en het idee stond hem messcherp voor de geest. Hij wist ook direct dat dit idee goed was en hij de rest van de nacht niet meer zou slapen. Hij wou het direct uitwerken. Hij sprong uit zijn bed. Hij klikte zijn computer aan en even later zat hij driftig te typen. Wel een uur lang. Hij zuchtte diep en leunde tevreden achterover. Hij bekeek wat er op het scherm stond; een superieure tekst. Pats! Boem! Dat stond! Wat een idee!

Tevreden neuriënd stond hij even later onder de douche. De ochtend kriekte en aan de lucht kon je zien dat het een prachtige dag zou worden. Maar hij zag het niet. Hij dacht alleen maar aan het idee. Het geweldige idee!

Een ijskoude waterstraal ontlokte hem een keiharde gil. De oude boiler hield er abrupt mee en stortte het nu onverwarmde water uit over zijn hoofd. Met een grote sprong was hij onder de douche vandaan en draaide snel de kranen dicht. Bibberend stond hij even later, met een handdoek om de schouders, voor de spiegel. Hij bekeek zichzelf. De koude rillingen deden hem er triest uitzien. Hoewel, triest was het niet precies. Langzaam bracht hij zijn gezicht voor de spiegel en keek zichzelf recht in de ogen. Hij zag pure angst!

Sinds het idee hem wakker had gemaakt had hij op de achtergrond in zijn geest een zeurende toon gehoord, die hij steeds wegdrukte. De koude waterstraal had hem volledig bij zinnen gebracht en hem uit de euforie van het idee getrokken. Hij was bang! Hij was direct al bang geweest omdat het idee zo goed was. Zijn idee! Hoe zorgde je er voor dat het ten uitvoer werd gebracht zonder dat een ander er lucht van kreeg en er met het idee vandoor ging? Mensen waren net hyena’s, zij zouden maar al te graag een idee stelen om ermee te kunnen voorzien in hun levensonderhoud.

Hij liep naar zijn computer en wiste het hele ding tot er niets meer opde harde schijf stond. Het idee zat nu toch goed uitgewerkt in zijn hoofd en zo wist hij zeker dat niemand erbij kon. Hij begon hard te lachen. Het superieure gevoel was terug! Wat hij bedacht had was briljant. Eigenlijk had hij zijn hele leven al het gevoel gehad dat op een dag er iets briljants uit hem zou komen. En dat was gebeurd. Onvermijdelijk.

Middenin een lach keek hij opgeschrikt opzij. Hij had het vaker de afgelopen dagen. Vanuit zijn ooghoek meende hij dan een schaduw te zien bewegen. Alsof iets of iemand hem in de gaten hield. Zes keer achter elkaar keek hij versneld naar de kamerdeur, alsof hij daar iemand verwachtte. De illusie was zo sterk dat hij geen stap verzette. Hij voelde een lichte angst, terwijl zijn gedachten zweefden tussen het waarnemen van schaduwmensen en de blinde vlek op zijn netvlies. Zoals altijd weet hij het maar aan het laatste, zo’n oogzenuw moest nu eenmaal ook aan je oog verbonden worden en op die plek zag je dan net niks. Vanuit zijn ooghoek viel het licht natuurlijk precies zo zijn lens binnen dat hij zich een schaduw verbeeldde.

Zijn hand trilde, toen hij de deurkruk beetpakte en met een zwaai de deur openrukte. De trap naar boven kraakte en hij hoorde een heel licht zuchtend geluid, het geluid van textiel dat langs een lichaam streek. Zijn poriën op zijn voorhoofd zetten in een keer alle sluizen open en het zweet liep hem langs het gezicht. Er was iemand binnen! Dit was geen verbeelding meer. Niks schaduwmensen, hier was iemand!

Hij beet op zijn hand en voelde een bijna niet te beheersen aandrang om naar het toilet te gaan. Hij stond aan de grond genageld en hield zijn adem in. Hij luisterde twee volle minuten zeer intens, maar meer dan zijn eigen steeds stokkende ademhaling was er niet te horen. Hij hield de deurkruk nog steeds heel stevig beet met zijn andere hand en voelde dat hij de grip verloor door het zweet in zijn handpalm. De kruk begon uit zijn hand te glijden en heel langzaam liet hij het ding los.

Vlak voordat de deurkruk in zijn oorspronkelijk positie kwam klonk er vervaarlijk gekraak uit het slot. Als een kanonschot knalde het geluid door de hal. Hij stond nog steeds naast de deur en zijn hart bonkte voluit in zijn keel. De persoon boven moest het geluid gehoord hebben en in de gaten hebben dat hij nog steeds in de gang stond te luisteren. Ook hij zou zich realiseren dat ze zich beiden bewust waren van de ander!

Hij voelde de onbeheersbare drang om te vluchten. In uiterste paniek rende hij terug de kamer in. Op de trap hoorde hij harde geluiden. Hij begon te krijsen en rende in blinde angst dwars door het glas van de schuifdeuren de straat op. Glas en bloed vlogen in het rond. Op straat werd hij geschept door een passerende auto en het geloei van de claxon en de schreeuwende mensen op straat waren de laatste geluiden die hij hoorde, voordat alles donker werd.