De gemeente wilde van stroken grond af. Tegen betaling uiteraard. Als je genoeg stroken grond langs bestaande percelen verkoopt spekt dat de gemeentekas aanzienlijk. En dat vindt de gemeente prettig.

Na een hoop verbraste energie, om tot een mooie onderlinge verdeling van de beschikbare grond te komen, gingen we met alle buren langs de notaris om de koop te bezegelen. We stonden vrij snel weer buiten, met de mededeling dat het Kadaster de officiële meting binnenkort zou komen verrichten. De notaris zou een rekening sturen die we alvast konden betalen.

Het Kadaster kwam. Er zijn veel ernstige beroepen. Werken bij het Kadaster is er een van. Twee kloeke mannen met strakke gezichten. Stugge kleding die tegen een stootje kon. Ook kende het Kadaster hiërarchie. Een der mannen had duidelijk de leiding. Dit kon ik, zittend achter het vensterglas, al opmaken uit de lichaamstaal der beide mannen.

De leider stond mooi rechtop, terwijl de medewerker ietwat gebogen stond en steeds afwachtend naar de leider keek.
Al gauw liepen ze rond met rood-wit beschilderde palen, die ze, voor de leek lukraak, in de grond staken. Na het plaatsen van zo’n paal hurkte de leider, om met een timmermansoog de juiste plaats te schatten. De medewerker liet af en toe een paal vallen, hetgeen een keihard kletterend geluid veroorzaakte. Ik had dit geluid al een heel aantal keren eerder gehoord die middag, de reden waarschijnlijk dat het geen enkel merkbaar effect had op de mannen.

Het voorste gedeelte van de strook grond was zwaar bebost en de medewerker moest op handen en knieën door de bossages kruipen om de paal op de juiste plaats in de grond te drukken. Ondanks ’s mans inspanning, en een afgezakte spijkerbroek tot halverwege de bips, ging dit de leider niet naar de zin.

Toen ik naar buiten kwam hoorde ik nog net zijn Links, links, rechts! over de oprit schallen. Hij knikte kort naar me en verdween toen zelf in gebukte houding onder de takken. Hij verloor daar het minutieuze mutsje, dat olijk aan de takken bleef hangen. Toen hij even later, met een rood hoofd, zuchtend tevoorschijn kwam, toonde hij een zeer brede middenscheiding achter het glimmende voorhoofd.

“D’r staan nogal wat bosjes,” luidde zijn conclusie, zeer terecht. Het klonk als een verwijt.
“Ja,” lachte ik dan ook maar wat.
Maar dat was te frivool, want het gezicht van de man betrok.
“Het is snippergroen, hè?” sprak hij ernstig, “u bent nu eigenaar, maar u had het eigenlijk al in gebruik zie ik. Voor hetzelfde geld had de gemeente besloten hier een fietspad aan te leggen.”
“Ja,” lachte ik, “maar nu is het gelukkig van ons.”
“Voor weinig geld,” sprak hij onbedoeld gevat, “vijftien euro per vierkante meter is bijna voor niks.”
Ik dacht nog even aan de eindafrekening van de notaris, maar hield me verder stil en knikte vaag. Toch niet ‘voor hetzelfde geld’ dus.

“We hebben hier een paaltje geslagen!” deelde de leider me even later vol trots mee.
“Ook aan het einde hebben we zo’n paaltje geslagen, in een rechte lijn.”
“Ja, rechte lijnen, daar houden we van in dit land,” sprak ik bedoeld gevat. Maar het kwam niet over. De medewerker had net alle palen ingeladen in de Kadasterauto, en daarbij een laten vallen, en kwam aanzetten met het mutsje. Statig plaatste de leider deze kroon weer op het hoofd.

Na een vorsende blik zei hij galmend: “We komen nog een keer terug!”
“Bedankt voor de waarschuwing,” lachte ik. Het was een mooie, vrije dag.
“Nee, u moet dan nog een keer een handtekening zetten voor de definitieve overdracht. Wij komen dan langs.”
“Ja,” zei ik slapjes.
“Trouwens,” zei hij.
“Ja?” vroeg ik, na twee seconden volledige radiostilte. Ook de medewerker keek vragend naar hem op, de mond licht geopend.
“Trouwens,” hervatte hij, “we kunnen niet goed bij de grens van uw buren met hun achterburen. Als zij ook een paaltje willen moeten ze ons even bellen.”

Ik keek naar beide mannen. Het duizelde me. Zwijgend stonden ze voor me. Het zonnetje scheen en in de verte toeterde een auto. Het was een der eerste lentedagen.
“Koffie?” vroeg ik.
De medewerker keek naar de leider. Deze schudde somber het hoofd.
“We komen nog een keer langs,” repliceerde hij. Even was hij stil en zei toen: “Vijftien euro. Da’s bijna voor niks.”

En zonder verdere groet draaiden ze zich als een man om en liepen ze naar de Kadasterauto. Oscar Wilde moet aan mannen van het Kadaster hebben gedacht toen hij schreef: 
 
Een klein beetje ernst is gevaarlijk, en grote ernst is absoluut fataal.

image13
 
Geplubliceerd op het intranet van het Kadaster, maart 2012