Nieuw Werkloos. Vroeger konden we op de bank zitten roken en de hele dag in de joggingbroek rondlopen, krabbend op de ontblote buik onder een te krap T-shirt. Tegenwoordig zoeken we naar een nieuwe baan via social media. Tenminste, dat is de bedoeling. Eerst nog even los van het stigma van potentiële straatveger of aardbeienplukker.

Zomaar komt er een nieuwe CEO omdat het bedrijf, achteraf bezien, al jarenlang maar wat zat aan te klooien. En dan, de crisis hè? Het toverwoord voor ontslag. Zo’n nieuwe CEO kijkt even kort om zich heen en ontpopt zich spoedig als volleerd tuinman. Maaien in de top, snoeien onder personeelsleden en het plukken van bonussen. Met moderne verticuteertechnieken worden de overgebleven werknemers geprikkeld om extra goed te presteren.

Enfin, in ieder geval belanden veel mensen thuis, zonder werk. “Werkloos op de bank” is het gangbare credo. Maar is dat nog wel zo “op de bank” als weleer? “Werkloos achter het bureau” en “Mobiel Werkloos” zijn immers betere termen voor de moderne werkloze. Tegenwoordig praten we over goed opgeleide mensen, voorzien van moderne communicatiemiddelen uit de goed betaalde dagen van weleer, die op zoek zijn naar werk. Solliciteren via social media, soms nog gevolgd door een CV via e-mail. Het aantal sollicitaties kan zo nog aardig oplopen. Moeizaam op de bank verpozen tot de krant komt is er inmiddels allang niet meer bij. Natuurlijk zijn er bedrijvendagen op overvolle beurzen, maar we gaan nog liever speeddaten met potentiële werkgevers via een LinkedIn oproep.

Eerst moeten we echter nog even verder kijken dan het oordeel, dat elke werkende zich blijkbaar ongestraft mag aanmeten over werklozen. Werkenden praten zeer graag over hun eigen sterke schouders, die de zwakkeren moeten dragen. Want zwak zijn ze immers, werklozen. Uitvallers, straatslijpertjes en sappelende luilakken van de maatschappij. Rigide mensen in ouderwetse kostuums en mantelpakken blijven maar roepen dat werklozen verplicht asperges uit de grond moeten trekken, straten moeten vegen, aardbeien moeten plukken of moeten solliciteren in het buitenland, liefst met verhuisplicht. De Groninger die naar een baantje in Limburg wordt gestuurd. De Limburger moet maar naar Duitsland. Een andere populaire uitspraak is dat de werkloze automonteur maar moet omscholen tot bejaardenverzorger. Oma, die een grote beurt krijgt, ik zal u de details besparen.

Gemeenplaatsen die elke crisis weer de kop opsteken. Dat is ook logisch. Door een toenemend aantal werklozen komt de eigen luxe positie immers in gevaar omdat de uitkeringen worden betaald uit gemeenschappelijke middelen. En dan, zomaar geld krijgen, dat zou maar mooi zijn. Er is altijd wel onnozel werk te vinden als vereiste tegenprestatie.

Als aan de ene kant nieuw aantredende CEO’s nu eens minder blindelings snoeien om de aandeelhouders te bevredigen en politici nu eens iets meer inspelen op wat werkelijk goed is voor bedrijf en beroepsbevolking, kan het potentieel, dat “achter het bureau” zit te wachten misschien een kans krijgen.

Maar bovenal, hou eens op met dat domme geroep over werklozen. Beetje goedkoop om deze mensen zinloos te beschimpen ten faveure van de eigen status. Het gaat niet om sterke schouders, maar om ruggengraat. Ruggengraat om het hoofd boven water te houden. Niet ten koste, maar mét mensen langs de lijn, zonder het liefst elk uur van de dag een controle of ze niet stiekem tóch met de vinger in de neus zitten te niksen. Met open vizier, zonder wantrouwen en vooroordelen. En vooral zonder vernedering.

Fijn, duurzaam werk gewenst.
 
 
Gepubliceerd in het Dagblad van het Noorden op 3 juni 2015.