Hit and run

Als ik de rotonde bijna weer verlaat hoor ik mijn zoon achterin roepen: ‘Hooo!’ Aangezien hij dit te onpas roept rijd ik gewoon door maar even later voel ik dat de auto een lichte schuifbeweging maakt. De auto die het veroorzaakt raakt mij licht tegen het rechter achterportier. Aangezien ik net door onkundig inparkeren vorige week een schade moest melden aan de leasemaatschappij ontsnapt mij een geërgerde zucht. Uit de mond.

Ergernis slaat onmiddellijk om in verbazing als het autootje, dat veel weg heeft van een overdekte brommer, vervolgens gewoon doorrijdt. We zien nog een glimp van een bejaarde bestuurder. Ik roep luidkeels het kenteken, dat mijn andere zoon vervolgens noteert. We stappen uit. De kus van het vehikeltje is zichtbaar op het portier. Niet desastreus, maar het zit er wel.
‘Opa had een neutje op denk ik,’ denk ik hardop.
‘Wie, jij dus?’ antwoordt mijn zoon.
Leuk, zoons. Een aanrader.

‘Politie!’ Ik heb een headset op waardoor het zeer krachtige stemgeluid rechtstreeks mijn hersenstam raakt. Het duizelt mij. Ik leg maar eens uit dat ik aangereden ben en de figuur die dat deed gewoon doorreed. Ik noem het kenteken, ik klets hem als een troef op tafel.
‘Ja, doorrijden na een aanrijding mag niet,’ klinkt het weinig verheffend, en een stuk zachter. Ik schiet in de lach. Het lijkt mij evident.
‘U kunt nu niet digitaal aangifte doen omdat dit een misdrijf is, maar moet dat doen op het politiebureau morgen,’ zegt de politie. En vervolgens: ‘Het bureau is nu dicht.’
Sombere wolken pakken zich samen op deze mooie zomerse zondag. Ik maak maar een afspraak. Het gaat op afspraak. Maandag, twaalf uur.
Ik poets de agenda voor die dag voor een groot gedeelte leeg. Ik zou naar Den Haag, maar dat gaat niet door zo.

De volgende ochtend gaat de telefoon.
‘Met de politie,’ klinkt het andermaal, nu is het een mevrouw. ‘U heeft gisteren melding gemaakt van een aanrijding, waarna de andere bestuurder doorgereden is, toch?’
‘Klopt,’ zeg ik. Groningers gebruiken niet altijd veel woorden.
‘Ja, we hebben contact gezocht met die meneer, naar aanleiding van het kenteken dat u ons gegeven heeft. Die meneer zegt zich niets van het ongeval te herinneren. Hij zegt dat hij u niet geraakt heeft. Hij heeft ook geen schade. Heeft u schade?’

Als ik mijn broek weer opgehesen heb stamel ik: ‘Ja, ik wel schade ja. Lichte schade, maar schade dus.’
‘Ja,’ zegt de politie, ‘maar de meneer is al eenentachtig. Dat gaat wel vaker zo met oude mensen. Die weten niet dat ze een aanrijding hebben veroorzaakt. Het is bijna mijn dagelijks werk, ziet u. We kunnen hier niets mee doen.’

Luid kletterend valt mijn stoel op de grond. Jammer dat ik er nog op zit. Als ik van de schrik ben bekomen zeg ik: ‘Maar het is toch strafbaar als iemand doorrijdt na een aanrijding?’
‘Ja hoor,’ luidt het antwoord, ‘maar ik zeg u net dat de meneer al eenentachtig is en het zich niet kan herinneren dat hij u geraakt heeft.’
Ik waan mij in een low-budget aflevering van een Duitse krimi. Deductie met een roze snoeppapiertje verpakt.
‘Dus als ik oud ben en iemand aanrijdt kan ik vervolgens gewoon naar huis rijden en gebeurt er niks?’ vraag ik op mijn meest sarcastische toon.
Maar dat wordt de politie te gortig.
‘Ik probeer u nu al een paar keer uit te leggen meneer dat wij hier niets mee doen. Voor de verzekering kunt u contact opnemen met deze meneer. Wij doen hier niets mee.’
‘Dankuwel,’ stamel ik.

Als ik de meneer bel krijg ik een man aan de lijn met een hoge stem, bijna falset.
‘Ja ik weet het nog wel hoor. Op de rotonde gisteren hè? Ik heb u niet eens geraakt. Ik heb ook helemaal niks aan de auto. Hoe kwam u opeens op die rotonde? Wat deed u daar, vraag ik mij af?’
‘Ja ik reed daar,’ zeg ik maar.
‘Hij reed daar, zegt ie,’ zegt de man, naar klaarblijkelijke toehoorders op de achtergrond. ‘Hij heeft wél schade zegt ie.’
Tegen mij zegt hij: ‘Nou wij hebben geen schade en we hebben u niet geraakt. Mijn kleinzoon zat bij mij in de auto en die zegt het ook. Tot ziens.’

Weer een zaak opgelost. Prettige reis gewenst.