Huizenjachtseizoen

Vandaag kwamen wij in contact met een makelaar. Een huizenverkoper. Je hebt ze in soorten en maten en daarmee lijkt het beroep een afspiegeling van de maatschappij. Blijkbaar zijn in veel geledingen van de bevolking mensen aanwezig die graag makelaar willen zijn. Ik heb zelfs vrienden die makelaar zijn.

De bebrylcreemde makelaar die we troffen kwam een kwartier te laat. Het ‘goedemorgen’ trof ons als een mokerslag en was nadrukkelijk doordrongen van de weduwe Van Nelle, die ook haar krachtige odeur afgaf. Maar hoofdzaak was dat we binnen stonden, en daar waren we blij mee. Informeren naar de mogelijkheid van een bezichtiging van het pandje had een diepe zucht teweeggebracht aan de andere kant van de lijn, gevolgd door het moeizaam plannen van een afspraak. De verkoper liet alleen bezichtigingen toe op dinsdag en vrijdag. En ja, meneer de makelaar moest van ver komen en dan bezichtig je niet voor tien uur immers. Het aanschouwen van de beeogde woning leek schier onmogelijk en de aankoop een prijzige gunst.

Het betreden van de woning gaf de geur der bewoning door oude mensen prijs. Het was nogal donker en de vloer kraakte vervaarlijk.
‘De man is overleden,’ zei de makelaar op lugubere toon, die mij mij even over de schouder deed kijken.
‘Mevrouw lijdt er behoorlijk onder en is opgenomen in een inrichting,’ vervolgde hij laconiek.

De vertrekken waren alle bedompt en schemerig. Voor elk raam was een plaatje hout bevestigd.
‘Meneer was nog steeds eigenaar van een koffieshop in Groningen,’ zei onze rondleider, ‘af en toe komen er nog wel mensen aan de deur die geld van hem willen hebben. Hij deed veel aan beveiliging. Maar dat zal snel afnemen als u er woont.’
Vanuit de ooghoeken keek ik naar mijn vrouw, die onrustig naar een andere kamer beende.

Er was geen enkele poging gedaan tot aanprijzing van de waar. De meeste ruimtes deden blijkbaar dienst als opslag van allerhande onduidelijk materiaal, waar geen samenhang in te ontdekken viel. Struikelend vervolgden we onze weg. De stapel pornofilms op een oude televisie deed mij even de wenkbrauwen fronsen. Gezien de vrij hoge leeftijd der voormalige bewoners vond ik de vondst verrassend, maar haalde ruimdenkend de schouders op.

Lang stond ik bij een tafeltje met foto’s. Vergeelde plaatjes loodsten mij ongevraagd een voorbij leven binnen. Kiekjes met de bewoners op de tractor, omringd door paarden. Noest, en wat argwanend kijkend naar de fotograaf. Maar wel stevig gearmd. Ik voelde me wat opgelaten. Het leek een privacyschending. Het huis kreeg een gezicht dat niet de mijne was.

Wij hadden vragen. Over asbest, zwam onder de vloeren, erfgrenzen, bestemmingsplannen. Standaardvragen eigenlijk, maar op alle kwam het standaardantwoord:
‘Ja, dat weet ik niet,’ en, na enige stilte waarin we vragend bleven kijken: ‘Ja, ik kan dat wel opzoeken,’ waarbij onduidelijk bleek wanneer dit zou geschieden. Wij dachten per direct, maar na enige ogenblikken plaats rust vervolgden we de bezichtiging maar.

‘De kruipruimte is kurkdroog.’
Eindelijk hadden we een antwoord. Maar toen ik lukraak een luik in de vloer opende en met een rood hoofd onder de vloer tuurde werd ik getroffen door de weeïge stank van stinkzwammen en zag ik een duistere plas water staan, waarin ik zelfs enige beroering verbeeldde.
Bleek weggetrokken schoot ik met een ruk omhoog, mijn hoofd stotend aan een kastje, dat daar willekeurig geplaatst leek. Het deurtje viel eruit. Op mijn hand.
De makelaar lachte luid.

‘Het is maar een vraagprijs natuurlijk,’ rondde hij de bezichtiging af, ‘mevrouw wil er graag vanaf. Haar man is overleden en zij voelt zich niet best. We kunnen daar sentimenteel over doen maar dat is nou eenmaal hoe het is. Bovendien komt de zomer eraan, hè?’ luidde het aankoopadvies dat we kregen. We beloofden het door te geven aan onze eigen makelaar, die ons in goed overleg eerst zelf even had laten kijken.

Ik voelde me zweterig. Nee, die woningmarkt die trekt wel aan. We gaan er blijkbaar al weer vanuit dat de boel toch wel verkocht wordt. Ik keek nog eens om. De zon scheen op het huisje. Er hadden hier mensen gewoond. Van onduidelijk allooi misschien, maar een vrouw die kapot was door het overlijden van de man. Grondslag voor een buitenkansje. Met een makelaar die het allemaal siberisch liet, gelukkig geen vlaggenschip voor zijn beroepsgroep.

‘Wij zijn ter dood veroordeeld omdat wij plaats moeten maken voor het leven,’ schreef Bertus Aafjes.
Mooie spreuk voor makelaars.
 
 
2014.