Toen ik het café in Groningen betrad hing er de kleffe lucht van verweerde tosti’s, vermengd met de odeur van kleding, die best nóg een keertje aan kon. Ik nam plaats aan een lange tafel met een luide kreun, precies op het moment dat mijn zitvlak de stoel beroerde.

Tegenover mij zaten een vrouw en een man, die ik blijkbaar ruw stoorde met mijn keelklank, die een soepel plaatsnemen naar vervlogen jaren verwees. Ze dichtten me de hoge leeftijd ook zienderogen toe. Blijkbaar onderbrak ik iets moois.

Na deze optische berisping hervatten ze hun gesmoes, dat er, vanaf mijn zijde van de tafel bekeken, nogal heimelijk uitzag. Ik zag eens kinderen op de achterste bank van de bus stiekem kauwgum deponeren op de bank voor hen, even later een zakenheer een duur stomerijbezoek bezorgend. De man en vrouw voor mij toonden dezelfde lichaamstaal, maar van kauwgum was geen sprake. De man zag eruit als een minderwaardigheidsbekleder, met een goed gevoel voor mode, dat moest je hem nageven. Hij babbelde blijkbaar vlot, want de vrouw kirde onderdrukt. Ze had het soort retro-wulpsheid dat het bij een bepaald slag mannen goed doet.

Toen ik het gratis kaakje bij het bestelde kopje koffie abusievelijk op de grond liet vallen ontwaarde ik tijdens het oprapen een beweging onder de tafel. Een schichtige, terugtrekkende beweging van de hand van de man verried een intieme aanraking der benen van de vrouw, even daarvoor. Onthutst door het ongewilde voyeurschap wou ik mij snel weer in zittende positie begeven, maar vergat dat ik mij nog half onder de tafel bevond, zodat ik zeer krachtig het hoofd tegen het bovenblad stootte. Het was een nogal luide knal. Mijn koffie gulpte over het schoteltje.

Betrapt keek de man mij aan en de vrouw ging ongemakkelijk verzitten, mij een zure blik toewerpend.
‘Ha die buurman!’ redde een aanstormend kind de situatie. Of toch eigenlijk niet, want hij vervolgde:
‘Mijn vader is eindelijk weer terug uit Amsterdam, kijk daar is hij!’
Het kind nam plaats op de schoot van de vrouw tegenover mij. Een man met kleding van een aalmoes en vermoeid haar kwam naderbij. Dus dit was de man van de vrouw die tegenover mij aan tafel zat. Met de hand van haar buurman aan haar dij. Het duizelde me.

‘Hullo,’ zei de man van de buurvrouw mat.
‘Ha, die buurman!’ zei nu ook de buurman. Hij had nu beide handen op tafel liggen. Zijn moderne boordje was nu blijkbaar toch wat aan de strakke kant, want hij wurmde nerveus met een vinger langs de rand. Hij zag er plots wat zweterig uit.
‘Ik moet nodig naar de kapper, vind je niet?’ vroeg hij broeierig aan de buurvrouw.
‘Waarom?’ vroeg deze, zeer nonchalant.
‘Nou anders krijg ik van die krullen in de nek. Eendenkrullen! Hahaha!’
Met een uitdrukking van lichte walging wendde de man van de buurvrouw zich af en staarde sullig naar buiten. Hij stond nog steeds. Zijn gedachten waren nog in Amsterdam blijkbaar. Het zoontje trok aan zijn jas.
‘Gaan we niet naar huis?’ vroeg hij zeurderig.
‘Ja, we gaan,’ zei de buurvrouw, resoluut opstaand. Aan alles komt een eind.
‘Ga je mee, Henk?’

Henk ging mee. Samen met de man met de eendenkrullen, die er wat verslagen uitzag, keek ik ze na.
Maar op het allerlaatste moment, net voor de deur achter haar dichtsloeg, zond ze de man aan tafel de blik. Een blik vol stiekem kauwgum.
Zijn blik kruiste de mijne. Met een lichte glimlach sprong hij op en beende richting de toiletten. De eendenkrullen dansten.

Ik glimlachte. Misschien was het allemaal maar verbeelding. Veel weten doodt de fantasie, schreef Anton Koolhaas. Ik gaf hem groot gelijk.