De hele week al ben ik inloopgast op de afdeling Intensive Care in het ziekenhuis, waar kundige professionals mijn moeder voor de dood weghaalden. Ik ken van die professionals in het gewone bestaan en het valt mij op dat een aantal daarvan hun best doen mij te verzekeren dat het all in a day’s job is en ze ook erg gewend zijn aan de gevallen waarin het níet goed gaat en mensen dood de afdeling verlaten.

Mijn praktijkervaring deze week ligt toch veel genuanceerder.

Dinsdag trof ik een verpleegster die op mijn moeder afliep als een oude bekende en haar hartelijk even vasthield. Het bleek dezelfde verpleegster te zijn die haar opving op de Spoedeisende Hulp, toen ze werd binnengebracht.
    “Kent u mij nog? Ik ben hier nog een paar keer geweest hoor, na mijn dienst”, hoorde ik haar zeggen, “Ik wilde toch even weten hoe het met u was”. Een collega verzekerde ons gelijk dat het gezicht van de spreekster altijd in ieders geheugen gegrift zal zijn en ondanks de ellende moesten we even lachen.

Woensdag werd ik vriendelijk begroet door een andere verpleger. Want ondanks dat ik elke dag op hetzelfde uur verschijn blijkt er een sterk wisselend rooster gehanteerd te worden. Ongevraagd deed hij verslag van de afgelopen dag, inclusief de geruststelling dat ze tevreden waren.
    “We kunnen echt een heleboel hoor”, zei hij ter afsluiting, “maar ze moet zelf het laatste stukje doen, en dat doet ze best goed”.
    Op de gang grapte hij zachtjes wat met een collega en hoorde ik hem afrondend zeggen:
    “Ja, die dienst tot 6 uur is wat ongelukkig, maar ik blijf nog wel even, tot Annemarie klaar is met meneer Jager”

Vandaag is een mooie dag. Het zal de laatste dag op de Intensive Care zijn, aangezien het herstel dermate is gevorderd dat de bewaking een tandje minder kan. Ik verneem dit nieuws in eerste instantie in mimische vorm. Zittend op een bankje kijk ik de gang in. Rechts leunt mijn vader tegen een muur, links een arts-assistent. In het midden staat de arts. Ik volg de beelden.

De arts vertelt, ze ondersteunt haar woorden met mooie ronde gebaren. Mijn vader vraagt wat en arts en arts-assistent knikken vriendelijk. Mijn vader wankelt heel even en de arts legt even een hand op zijn schouder. Klopjes volgen. De arts-assistent drukt wat verlegen zijn bril recht op de neus en knikt mijn vader bemoedigend toe. Er volgen nog wat woorden en vriendelijk lachen. Even later lopen ze mij voorbij, al weer druk in gesprek in een onnavolgbaar jargon. Want druk is het blijkbaar in de zorg, je ziet weinig neuspeuteraars rondlummelen.

Zomaar indrukken van de Intensive Care, waar ik ongevraagd een paar dagen rondliep. Voor de laatste maal loop ik naar de klapdeuren, langs kamers met mensen die vechten voor hun leven. Een morbide voorportaal van de dood, waar gelukkig ook velen uit ontsnappen. Dan langs de personeelskamer, waar mensen net even koffie drinken. Ik groet ze vriendelijk, het is bijna vreemd om hier niet weer terug te keren. Bijna.

Ondanks het gezeur en gezanik van velen over de gezondheidszorg heb ik het als een bijzondere club mensen ervaren, ik wens ze allen sterkte in hun werk.

 

Gepubliceerd onder titel “Helden in de Zorg (2)” in het personeelsblad van Medisch Centrum Leeuwarden, februari 2011.