‘Elke kans moet je pakken! Pas dan kom je ergens!’
Hij wrijft even in z’n handen en kijkt me doordringend aan. En vrolijk, want hij is zo’n kerel die dagelijks een strakke blauwe hemel met volop zon produceert met nimmer een wolkje. Eigenlijk geloof ik nooit dat zulke mensen echt bestaan en verdenk ik ze ervan dat ze ergens in een stil hoekje de kat in het donker knijpen.

Vermoeid knik ik terug, want ik heb geen zin om dynamisch terug te doen. Je ziet het vaak, kerels die elkaar toespreken alsof hun leven ervan afhangt, als marktkoopmannen die tegen elkaar opbieden met succes, als twee mannetjesdieren die een schijngevecht houden. Enfin, u snapt wel wat ik bedoel.

De dynamiek straalt van hem af en hij bekijkt mijn zuinig knikje wat afkeurend. Ik voel me bij dit soort types een ouwe, ambitieloze lul.

‘Knap hoor,’ zeg ik tegen hem, ‘knap dat je zoveel succes hebt. En dat in deze tijd!’
Een antwoord als een plakkerig snoepje. Maar hij vindt het fijn.
‘Kansen pakken!’ dreunt hij nog eens op tafel.
Ik lach een beetje zoals Stan Laurel dat zo goed kon, met de gesloten mond in de kwart-over-drie-stand.

‘Heb je niet soms het gevoel dat je met die kansen op elke bus springt die voorbij komt?’ vraag ik maar eens als hij wat verveeld om zich heen begint te kijken, op zoek naar actie.
‘Hè wat?’ zegt hij. Met een ruk draait hij zijn hoofd naar me toe.

‘Nou kijk, van te voren weet je je kansen toch niet?’ zeg ik, ‘dus dan is het toch of je op elke bus springt die voorbij komt? Je gaat dan misschien voorbij aan het doel waar je heen wou als je met de auto was gegaan.’

Hij kijkt met verbluft aan. Heel even verdwijnt de resolute blik uit de haviksogen. Heel even maar. Dan begint hij keihard te lachen.
‘Waar heb jij gestudeerd?’ vraagt hij, de tranen uit zijn ogen wrijvend.
Ik geef hem maar een hand. De bel ging en de school gaat uit.
‘Zet hem op,’ zeg ik. Maar hij hoort me niet want hij ziet een blazerige evenknie en luid schouderkloppend voert hij daar zijn conversatie verder.

Heel langzaam komt een meisje aangeslenterd. Een meter van haar vader blijft ze staan. Maar hij ziet haar niet en legt zijn nieuwe gesprekspartner hevig gesticulerend uit hoe hij op de volgende bus sprong. Kansen pakken. Het meisje zet haar tas op de grond en blijft wachten tot haar vader is uitgepraat. Ze kijkt wat leeg om zich heen, de mond licht geopend.

Ik word bijna onder de voet gelopen door mijn beide zoons en ben spoedig bedolven onder tassen en jassen als ze mekaar nog even achterna moeten zitten omdat het kontschopspel nog niet klaar is.

Bezweet en lachend lopen ze met me mee naar de auto. Ondertussen moet ik opletten wil ik niks van de verhalen missen. Ik kijk toch nog even om naar het meisje. Haar schouders hangen. Haar vader lacht weer hard, met het hoofd in de nek.

Nee dat van die ambitieloze ouwe lul valt mee denk ik. Ik ben blij dat ik met de auto ben.