Deontologie: Kant

Achtergrond
Kant leidde een zeer geordend bestaan en heeft zijn geboorteplaats nooit verlaten. Hij ging reeds vroeg in discussies over het ontbreken verband geluk en moraliteit. De Franse Revolutie was volgens Kant een essentiële stap naar wereldorde. Hij leefde in de tijd van de Verlichting: volg je eigen verstand, een tijdperk van de onafhankelijke kritiek. Mensen worden gekenschetst als ethische wezens,  maar zijn dit niet van nature, ze houden elkaar voor wat goed is. Mensen willen graag respect van anderen in een samenleving met regels. Teleologie: zijn handelingen gericht op goede doel dan leid je een deugdzaam leven. Deontologie: is meer gericht op plicht en wet, recht en gerechtvaardigdheid. Morele beoordeling geldt alleen voor aspecten die in de eigen invloedssfeer liggen en is gericht op gezindheid van degene die handelt, de intrinsieke bedoeling. Goede wil en categorisch imperatief. Geen emotionele maar een rationele aangelegenheid. Niets te maken met vinden van geluk.

Theoretische rede
Heeft tot doel: kennis. Ratio/verstand/ervaring/zintuiglijkheid. Alleen dat wat helder en duidelijk is is werkelijk. Niet dat wat via de zintuigen tot ons komt. Rationalisme gaat wel uit van universele kennis maar aanvaardt ook God en de ziel. Het empirisme verklaart niet de geldigheid van de wetenschap.
Er is wel degelijk ervaringsvrije grondslag voor kennis maar er is ook ervaring nodig. Kennis is een samenspel van ratio en ervaring. Kennis komt voort uit ordenen van gewaarwordingen door de zintuigen. Die kennis is dan nog steeds menselijk en is geen werkelijkheid op zich. Ten tweede: het is onmogelijk om uitspraken te doen over dingen die niet in de ervaring liggen (metafysica, God, ziel). Ethiek van hoe te handelen ligt in de morele geboden. God kan hier dan wel weer in voorkomen omdat op dit op grond van praktische rede mogelijk is.

Praktische rede
Heeft tot doel: bepaling van de wil. Maximes/imperatieven (hypothetische (technisch en pragmatisch) en categorische). De rede vormt grondslag voor objectieve morele kennis. Rede heeft betrekking op werkelijkheid buiten de mens maar ook op het handelen van de mens. Je kan op basis van alleen rede handelen. (nee, zegt Hume, handelen is gevolg van passies). Kant: mens niet alleen bepaald door zintuiglijke bepalingen. Wil onderscheidt de mens van het dier, hij kan zich distantiëren.
Praten over het goede is het onvoorwaardelijk goede. De goede wil is iets anders dan andere mens-eigenschappen slechts met goede wil goed ingezet kunnen worden. Morele beoordeling richt zich hier dus op de goede wil. Maar let op de context waarin de mens handelt. Die context heeft hij niet bepaald. Beoordelen op welke intentie binnen eigen verantwoordelijkheid ligt.
De wil: maximes: leefregels. Geven principes aan op grond waarvan het individu zijn leven wil leiden. Leggen niks op maar geven persoonlijke besluiten aan.
Imperatieven zijn praktisch en leggen regels op. Technische imperatieven geven aan welke middelen men wil inzetten voor een bepaald doel. (meer geld om rijk te worden). Pragmatische imperatieven geven bijvoorbeeld aan welke dieetvoorschriften men moet volgen om af te vallen. Technisch en pragmatische imperatieven zijn hypothetisch omdat ze slechts toepasbaar zijn voor iemand met een bepaald doel.
Daarmee is nog niet gezegd dat het doel goed is, of van goede wil getuigd. Daarom moeten we het binden aan een categorisch imperatief. Bevelen niet gerelateerd aan voorgegeven doel , maar op zich goed en moreel noodzakelijk. De wil wordt verplicht tot bepaalde handelswijze zonder te letten op doel of resultaat van de handeling. De goede wil laat zich leiden door het categorisch imperatief. Hier dus een morele en technische of pragmatische betekenis. Materieel doel: hypothetisch imperatief. Formeel beginsel: categorisch imperatief. Kant: handel alleen zo alsof het een algemene wet zou kunnen worden. Zo is wat ik doe ook goed voor anderen. Mens als doel, niet als middel.

Vier morele verplichtingen
Plichten tov zichzelf: verbod op zelfmoord (bij onlust zou iedereen zichzelf doden) en verbod op het niet ontwikkelen van talenten (niet alleen richten op genot: categorisch imperatief)
Plichten tov anderen: verbod om te liegen en verbod voor onverschilligheid tov anderen.
Verbod op zelfmoord en liegen zijn volmaakte plichten en de andere zijn onvolmaakte plichten (afhankelijk van omstandigheden.) Volmaakte plicht gaat voor; dit is een rigide benadering van plichten (veel kritiek). Maar het is wel grondslag voor een rechtspraak-samenleving (contracten nakomen en mensen als doel hebben). Maar Kant zegt ook dat liegen opdat een moordenaar niet binnenkomt niet mag; elk contract zou dan waardeloos zijn.

Wil en vrijheid
Wilsbepaling is autonoom als de wil zich laat leiden door het categorisch imperatief. De wil is zelfstandig en voegt zich dan niet naar wil anderen of materieel doel, de zuivere wil. (anders is het immers een hypothetisch imperatief)
Werkelijkheid is een verzameling gebeurtenissen op basis van causaliteitsbeginsel (alles wordt veroorzaakt door iets anders). Vrijheid is dan lastig te verklaren. Maar als er geen vrijheid is dan zijn er alleen hypothetische imperatieven. Als morele ervaring bestaat dan moeten autonome wil en vrijheid bestaan. De mens weet zich geplaatst onder een categorisch imperatief en dat levert vrijheid op (beetje cirkelredenering). Zonder categorisch imperatief hebben we geen weet van de vrijheid en zonder vrijheid konden we niet gehoorzamen aan categorisch imperatief.

Categorische rechtsimperatief
De gemeenschappelijke wereld is eindig en begrensd: door de handelingsvrijheid komt de ene mens in conflict met de andere. Van oorlogtoestand naar onderwerping is geen oplossing. Iedereen moet door een maatschappelijk contract een deel van de vrijheid inleveren. Handelingsvrijheden kunnen naast elkaar bestaan door een gemeenschappelijke wet.