‘Als Van Gaalen-Duyvestein die purchase order vanmiddag ondertekent zijn we in ieder geval gedekt het komende jaar. Hoewel ik het een enorme desinvestering vind. Wie stopt er nu geld in spullen die al afgeschreven zijn, hm?’
Na deze volzin kijk ik wat verdwaasd opzij. Ik loop gewoon op de stoep, een tikkeltje displaced misschien omdat ik zomaar wat kuier zonder doel. De man naast mij lijkt in het luchtledige te oreren. Net wil ik opgelucht ademhalen, omdat er blijkbaar nog meer gekken op de stoep lopen, als ik zie dat hij een draadloos apparaatje aan het oor heeft, dat kennelijk in verbinding staat met een telefoon.

En dat zal ik weten. We staan inmiddels stil bij een voetgangerslicht dat op rood staat en ik krijg opnieuw de volle laag.
‘Kan wel zijn, maar ík vind van niet,’ hoor ik, opnieuw met die geëxalteerde toon. ‘Ik denk dat het maar goed is dat het voetvolk niet af weet van dit soort geldbedragen. Die mislukte BV konden we nog maar net stilhouden. Dit is van een ander kaliber.’
Of de man praat toch in het luchtledige, hetgeen ik stiekem nog steeds hoop, of gene zijde van het gesprek heeft een zeer lang antwoord. Het is in ieder geval gelukkig even stil, op het voortrazende verkeer na. Dan hoor ik:
‘Geeft niet. Als we het budget niet aanpassen, maar de onderhoudskosten opvoeren als investering, dan kraait er geen haan naar.’

De luide keel van het mannetje met de telefoon begint meer geïrriteerde blikken van de omringende mensen te trekken. Ik bekijk hem nog wat beter. Het bekende maatkostuum, met daaronder het bekende zachtroze overhemd. Ik zie wat grijze haren aan de slapen, meneer, zal de kapper gezegd hebben de laatste keer, maar het maakt u bepaald gedistingeerd.
Het gezicht onder het gedistingeerde haar staat zuur. De man heeft de neus licht opgetrokken, alsof een penetrante aardappelgeur hem constant hindert.

Het licht springt op groen. Driftig stappen we en masse het zebrapad op.
‘Desnoods gooien we wat mensen eruit. Op de inpakafdeling loopt veel volk rond. Daar valt het minder op. Oh! Hallo, van Dijk!’
Ik kijk weer opzij en zie een andere man, van dezelfde snit, naast de eerste spreker lopen. We moeten weer halt houden, tussen twee rijstroken in, omdat het licht nu op rood staat bij de andere rijbaan. Het kon blijkbaar niet zo geregeld worden dat voetgangers in een keer kunnen doorlopen.
Van Dijk knikt kort. Hij staat met een hand in de broekzak. Hij leunt op een been, terwijl het andere been eigenwijs naar voren geplaatst is. Zijn toch al forse kont bolt op deze manier wat naar achteren. Het schijnt hem niet te deren.

‘Van Gaalen-Duyvestein moet die purchase order ondertekenen,’ oppert hij loom, ‘hij kan wel wat FTE’s lozen bij de inpakafdeling om de kosten te dekken.’
De man met de telefoon knikt heftig.
‘Als we het bovendien geleidelijk doen, dan hoeven we minder grote aantallen naar de vakbonden te communiceren bij de grote reorganisatie in september,’ zegt van Dijk.
Met open mond kijk ik hem aan.
‘Ik zie je in de meeting straks,’ rondt hij af tegen de beller.

Als iedereen oversteekt vergeet ik even mee te lopen zodat een aantal mensen onzacht tegen me aanbotst.
‘Loop door, zak!’ hoor ik, want we zijn een vriendelijk volk. Geïrriteerd wil ik van me afbijten, maar zie hoe de man een grote rol karton met zich meezeult. Als hij samen met Van Dijk en de gedistingeerde zuurpruim rechts afslaat, het fabrieksterrein op, zie nog juist de achterkant van zijn T-shirt, waar trots op pronkt: Papa is the best.

Niet in de ogen van Van Gaalen-Duyvestein, vrees ik.