Home » Kerstverhaal (2)

Kerstverhaal (2)

Kerstochtend. Voorzichtig proefde hij de dag, als het eerste slokje van een kop hete thee. Hij was even broos wakker geworden als het bijbehorende koekje. De nachtelijke schimmen waren vertrokken en lieten hem alleen aan tafel. Leeg.

Hij zat stil en overdacht de nacht. Vaag hoorde hij echo’s. Hoe meer hij trachtte te ontcijferen wat ze riepen, hoe vager de schimmen werden. Hij produceerde een raspende boer en geeuwde ongegeneerd en lang, als een verveelde tijger in de dierentuin. Hij stond op en slofte naar het raam. Door de luxaflex tuurde hij op straat.
Die schimmen. Hij raakte ze niet kwijt. Toegegeven, zijn eenzame kerstavond had hem danig naar de fles doen grijpen. Veel wist hij er niet meer van. Na het lezen van de geexalteerde wensen op social media kwam een zuur gevoel op, dat als een oprisping door zijn lijf golfde. Hij had het met bier geblust. Hij voelde voorzichtig aan zijn hoofd. Met veel bier blijkbaar.

Mensen waren verwend. Bij grotere en kleinere tegenslagen reageerden ze met gezeur. Nog vaker met agressie. Hij zag ze voor zich. Een menigte door Yrrah getekend en door Nietzsche voorzien van een ongenadig ressentiment. Maar met kerst kwamen de wensen. Ze streefden geluk na als een permanente staat van geest. De een schreef het geluk van de ander voor. De consumptiemaatschappij als een gigantische ik-wil-dat-ook afzetmarkt. Het ‘goed’-gevoel alleen nog te bereiken door nog meer, en daarna nog meer.

Het had hem naar de keel gegrepen. De kale kamer van vier bij vijf had niet positief bijgedragen aan de stemming. En ja, hij miste haar. Het wegvretende gevoel haar nooit meer te zien maakte hem kwetsbaar met kerst. Kerst vond hij ruk. Kerstversiering vond hij ruk. Kerst. Een eruptie van geluk. En als je toch niet gelukkig was dan was Kerstmis het verhaal over goedertierenheid van een vreemde die je leven zo eind december verlichtte, waarbij je het zaligmakend kon ondergaan en zelf niets hoefde te doen. Want eer je eraan toe was iets voor een ander te doen bleek Kerstmis toch al voorbij en de helpende hand als aandeel in het geluk van een ander was geen deuntje uit het dagelijks concert des levens.
In het dagelijkse leven was het keiharde gevecht om jezelf te laten participeren in de maatschappij allesomvattend. Door de schreeuwerige opinies werd je volledig in beslag genomen door de kleurstelling van de halve millimeter epidermis, ziektes en de plaats op de ranglijst der leiders in het bedrijfsleven.

Hij liep weer naar de tafel. De thee was koud. Hij was zelf ook koud. Hij kon wel pompeus lopen na te denken over mensen die alleen maar gelukkig wilden zijn maar zelf voelde hij zich absoluut niet zo.
Toegegeven, op deze manier kon hij tenminste geluk onderscheiden van ongeluk. Geluk bestond slechts uit momenten. Je hoopte aan het eind van zo’n leven dat het aantal gelukmomenten groter was dan het aantal keren dat je je niet fijn voelde. Goed, hij hoopte nog lang te leven, maar het ongelukgevoel duurde nu al wel heel lang. Hij zuchtte.

Hij dacht na over gisteren. Een dag waarop hij opeens dacht: ‘Ik heb eigenlijk niet geleefd. Ik heb alleen maar gedaan wat ik moest doen. Wat een ander wou dat ik deed.’ Pas na tientallen jaren had hij zich beseft op de automatische piloot te hebben gevlogen waarbij vrouwen, kinderen en chefs de route hadden bepaald. Zelfs als je iemand nooit meer zou zien bepaalde die toch nog je leven.
Hij was ervan geschrokken. Hij was zomaar van zijn werk vertrokken en was naar huis gegaan. Hij had de verbaasde gezichten van zijn collega’s genegeerd. Zwetend was hij op de bank gaan zitten. ‘Het roer moet om,’ had hij hardop gezegd, maar toen hij het zei voelde hij zich gelijk een vijftiger, die van topmanager opeens marktkoopman werd omdat hij het niet meer zag zitten.
    ‘Toch is er voor mij nog hoop,’ dacht hij somber, de meeste mensen beseften zich helemaal niet meer dat ze het leven leidden dat een ander bepaalde. Daarmee waren ze dus eigenlijk dood.

Maar die schimmen. Ze riepen naar hem. In de nacht. In zijn droom. Hij had ze verstaan en hij had verwacht dat hij bang zou zijn, maar dat was niet zo. Hij had ze verstaan en hij had zich gelukkig gevoeld. Blij. Opgelucht. Tevreden. Alles wat hij in ieder geval nu niet voelde. Hij lachte schamper. Een hoge, bittere lach.

Middenin de lach keek hij opgeschrikt opzij. Hij sprong op. Hij had het vaker de afgelopen dagen. Vanuit zijn ooghoek meende hij dan een schaduw te zien bewegen. Alsof iets of iemand hem in de gaten hield. Zes keer achter elkaar keek hij versneld naar de kamerdeur, alsof hij daar iemand verwachtte. De illusie was zo sterk dat hij geen stap verzette. Hij voelde een lichte angst, terwijl zijn gedachten zweefden tussen het waarnemen van schaduwmensen en de blinde vlek op zijn netvlies. Zoals altijd weet hij het maar aan het laatste, zo’n oogzenuw moest nu eenmaal ook aan je oog verbonden worden en op die plek zag je dan net niks. Vanuit zijn ooghoek viel het licht natuurlijk precies zo zijn lens binnen dat hij zich een schaduw verbeeldde.

Zijn hand trilde, toen hij de deurkruk beetpakte en met een zwaai de deur openrukte. De trap naar boven kraakte en hij hoorde een heel licht zuchtend geluid, het geluid van textiel dat langs een lichaam streek. Zijn poriën op zijn voorhoofd zetten in een keer alle sluizen open en het zweet liep hem langs het gezicht. Er was iemand binnen! Dit was geen verbeelding meer. Niks schaduwmensen, hier was iemand!

Hij beet op zijn hand en voelde een bijna niet te beheersen aandrang om naar het toilet te gaan. Hij stond aan de grond genageld en hield zijn adem in. Hij luisterde twee volle minuten zeer intens, maar meer dan zijn eigen steeds stokkende ademhaling was er niet te horen. Hij hield de deurkruk nog steeds heel stevig beet met zijn andere hand en voelde dat hij de grip verloor door het zweet in zijn handpalm. De kruk begon uit zijn hand te glijden en heel langzaam liet hij het ding los.

Vlak voordat de deurkruk in zijn oorspronkelijk positie kwam klonk er vervaarlijk gekraak uit het slot. Als een kanonschot knalde het geluid door de hal. Hij stond nog steeds naast de deur en zijn hart bonkte voluit in zijn keel. De persoon boven moest het geluid gehoord hebben en in de gaten hebben dat hij nog steeds in de gang stond te luisteren. Ook hij zou zich realiseren dat ze zich beiden bewust waren van de ander!

Hij voelde de onbeheersbare drang om te vluchten. In uiterste paniek rende hij terug de kamer in. Op de trap hoorde hij harde geluiden. Hij begon te krijsen en rende in blinde angst dwars door het glas van de schuifdeuren de straat op. Glas en bloed vlogen in het rond. Op straat hoorde hij gierende banden en het geloei van een claxon. De schreeuwende mensen op straat waren de laatste geluiden die hij hoorde, voordat alles donker werd.

*

De gang was lang. Hij zat alleen. Heel in de verte hoorde hij stemmen. Blijkbaar werd er een grap verteld, want de stemmen produceerden opeens hartelijk gelach. Hij zuchtte en ging verzitten. Met de ellebogen steunde hij op zijn knieën, precies zoals hij altijd op de wc zat.
Langzaam verstomden de stemmen in de verte. Hij zat stil, heel stil. En hij was weer leeg, heel leeg. Een ondoordringbare mist zat in zijn hoofd. Een hoofd vol watten. Zijn blik gleed verdwaasd langs de lege stoeltjes. Hij wist eigenlijk niet eens goed hoe lang hij hier al zat te wachten. Hij wist eigenlijk niet eens goed waar hij was. Vaag herinnerde hij zich het glimmende zwarte hek. De warmte.

Hij schudde met zijn hoofd. De mist kwam in nog dikkere vlagen opzetten. Apathisch begon hij weer om zich heen te kijken. Hij zat in een wachtkamer, zo leek het. Een lege wachtkamer. Het allesoverheersende licht was onerbarmelijk. Het was laat. En het was donker. Hij probeerde door de ramen naar buiten te kijken, maar zag alleen zichzelf weerspiegelt in het grote donkere glas.

‘Meneer?’
Hij schrok niet eens. Traag keek hij op en zag een meisje in een wit uniform. Hij keek naar haar schoenen. Het waren platte stappers. Degelijke schoenen. Op een van de schoenen ontbrak een gesp.
‘U wacht op dokter Mulder?’ zei ze blijmoedig.
‘J-Ja,’ mompelde hij zacht.
‘U kunt meekomen hoor,’ glimlachte ze.
En monter begon ze voor hem uit te lopen. Hij liep al enige meters achter haar aan toen hij bedacht dat zijn jas nog op een van de stoeltjes lag. Kennelijk werkte zijn hoofd toch nog enigszins, hoewel hij zich niet herinnerde dat hij zijn jas had aangedaan. Dat hadden de mensen van de ambulance zeker gedaan. Hij sjokte terug en hoorde aan de voetstappen, die nu achter hem waren, dat de zuster het in de gaten had en bleef staan. Toen hij op de terugweg was, nu met jas, kreeg hij nog eens een vriendelijke glimlach. Hij keek haar maar een fractie van een seconde aan.
Ze wachtte geduldig tot hij bij haar was en dat duurde voor zijn gevoel heel erg lang.
‘Komt u maar hoor, hier is het.’
Ze opende de deur waar ze inmiddels voor stonden. Hij mocht het eerst naar binnen.

Achter een bureau zat een man te schrijven. Hij had een witte jas aan en hij zag er vrij streng uit. Hij was ook een stuk ouder dan het lachebekje dat hem ophaalde.
‘Zo, komt u maar zitten, het gaat niet zo goed met u geloof ik hè?’ zei dokter Mulder, ‘u dacht dat u aangereden was, toch? Nou we hebben u helemaal nagekeken en op die paar stevige schrammen na bent u in orde hoor.’
Hij schudde de hand van de dokter. Nee, het ging niet zo goed met hem. Hij luisterde half naar de rest van de uiteenzetting van dokter Mulder. Hij voelde zich bekeken onder de scherpe blik van de man en draaide zich half van hem af. Even dacht hij zelfs aan opstaan en wegrennen.

‘En daarom lijkt het me toch beter dat u een paar dagen onder toezicht wat bijkomt gezien uw toestand,’ zei dokter Mulder inmiddels, ‘hoe vindt u dat?’
Hij vond in het geheel niets. Hij keek naar de dokter, zoals een speelgoedhondje op een hoedenplank in een vervoermiddel van weleer. Zijn hoofd schommelde licht.
‘Nou goed dan,’ bezegelde dokter Mulder. U wordt vervoerd naar gebouw 5b, ze wachten daar op u.’
Hij knikte naar de dokter. Er ontsnapte hem een lange, sissende zucht.

Een energieke jongeman liep snel door de lange gang voor hem uit. Hij pakte een grote bos sleutels en zocht de goede om de deur te openen.
‘Komt u maar mee, we hadden u al verwacht,’ zei de energieke jongeman tegen hem, met een verrassend rustige stem.
Hij bromde wat en volgde de jongeman, die nu aanzienlijk rustiger liep, naar een kamertje aan het eind van de gang. Voordat hij de kamer betrad zag hij nog juist een hal met een tafeltennistafel in het midden.
‘Het is hier kennelijk gezellig,’ dacht hij somber, maar dacht tegelijkertijd aan de secure wijze waarop de flukse jongeman de voordeur weer had afgesloten. Opgesloten zat hij nu dus.

Even later zat hij stil in het kamertje. Waarom werden zulke kamertjes toch standaard voorzien van zo’n verschrikkelijk verzengend licht? Hij knipperde met zijn ogen tegen het felle licht. Het liefst zou hij nu in een donker, schemerig hol zitten.
Het wachten duurde lang, voor zijn gevoel zat hij er uren en zijn hoofd zakte wat scheef. Eindelijk ging de deur open en een lange vrouw met donker lang haar kwam het vertrek binnen. Ze zag er ernstig uit en stelde zich voor als dokter de Bruin. Ze gaf hem geen hand. Onder haar arm had ze een stapel papieren die ze op de tafel legde. Ze vroeg of hij wat wilde drinken. Hij schudde zijn hoofd.
‘Nou, dat is ook wat met u, hè?’ zei dokter de Bruin, ‘u rende zomaar de straat op begreep ik omdat u dacht dat er iemand in huis was, toch? En uw vrouw is nog niet zo lang geleden overleden toch? Dat is niet zo mooi. U weet waar u zich bevindt toch?’
Hij ontweek de ogen van de dokter en zei tegen de muur:
‘Het heeft geen zin meer. De mensen willen alleen maar gelukkig zijn. Geluk bestaat uit momenten. Je hoop dat het aantal gelukmomenten groter is dan, dan eh, … dan dit. Jaja Irma, ze is eh er niet meer, nee, ze is weg.’
Hij stopte. Hij zat inmiddels in het plafond en keek neer op zichzelf. Zag zichzelf vertellen. Dit was hij toch niet? Dit was niet echt. Wat een belachelijk verhaal. Hij kon blijkbaar beter denken dan praten.
‘Rustig maar hoor,’ zei dokter de Bruin monter, ‘u krijgt aanstonds wat medicatie hoor. U wordt daar wat rustiger van. U merkt er verder niets van. Daarna zult u zich een stuk beter voelen.’
De dokter stond op en kwam op hem af.
Er kroop kippenvel over zijn rug. Het begon laag bij zijn billen en het kroop langzaam naar zijn schouders. De kamer draaide een beetje. Hij zei wat in zichzelf en het leek alsof hij in een hol vat zat en zijn eigen stem klonk hol. Hij keek om zich heen en merkte dat de randen van zijn gezichtsveld zwart waren. Hij kon niet goed kijken. Een hinderlijke zwarte kring zat rond zijn ogen, waardoor het leek of hij constant door een tunnel keek. Zijn blik was glazig.

*

Het kamertje dat hij kreeg was ongeveer drie bij vier. Tegenover de deur was een klein raampje. Aan de lange wand stond een bed met een metalen frame. Aan de andere wand stond een kast. Naast de deur bevond zich een wastafel met spiegel. Hij dacht dat een gevangeniscel er wel net zo uit zou zien.
De pillen begonnen te werken blijkbaar, want hij voelde zich wat minder somber. Een bepaalde hoeveelheid van een grondstof wat aanpassen en de chemo-elektrische fabriek van je lichaam deed de rest en je voelde je opeens wel lekker. Hij voelde hoe de hoekige pijn in zijn geest afnam. Zijn gedachten begonnen te kabbelen. Onwezenlijk staarde hij naar het plafond.

Uiteindelijk stond hij op en liep naar het raampje. Als hij op zijn tenen stond zat het op gelijke hoogte met zijn hoofd. Veel uitzicht was er niet. Het raam kon maar een klein stukje open en dat kostte hem veel moeite. Door de kier keek hij naar een boom. Heel lang keek hij. Door de smalle opening blies koude wind hem in het gezicht.

Er werd zacht op de deur geklopt en een man met sterk behaarde armen trad binnen.
‘U kunt wat eten,’ zei de man slechts, met een onverwacht zachte stem.

Hij nam plaats aan de tafel in de hal. Er was nog maar een plaats over. Ze waren al zonder hem begonnen zeker. Rechts van hem zat een lange man met zwart, vettig haar. Hij schrok van de volslagen leegte in de ogen van de man. Zijn bruine tanden staken zover vooruit dat zijn mond niet goed dicht kon. De man maakte ongearticuleerde geluiden.
Tegenover hem zat een meisje met een lijkbleke gelaatskleur. Ze tastte naar het brood toen de lange man dat ook net deed. Hun handen raakten elkaar. Het moment was heel kort, maar beiden sprongen zo hard van tafel dat stoelen, borden, bestek en broodbeleg op de grond kletterden. Allemaal sprongen ze op. Sommige mensen krijsten.

Uit het kantoor kwamen mannen in witte jassen. Het ontbijt was ten einde. De lange man werd meegenomen. Het meisje ging languit op de bank in de naastgelegen ruimte liggen.
Hij had nog geen hap gehad en tijdens de commotie was hij roerloos blijven zitten. Hij kokhalsde, maar niemand zag het. Loom stond hij op en slofte terug naar de kamer van vier bij drie. In de gang klonk een hoge hysterische lach.

Op de bovenste plank van de kast in zijn kamer lag een zakje met mintgroene pilletjes. Hij had ze zorgvuldig gespaard en goed verstopt. Hij leegde het zakje in een keer in zijn mond en spoelde het weg met wat water. Toen ging hij op het bed liggen. Langzaam gleed zijn hand naast het bed en raakte de grond. In de verte klonk muziek.
Hij lag doodstil op het bed, glimlachend.

*

Plotseling ging het licht aan. Het was zo fel dat een allesverzengend wit hem omringde. Hij hield zijn handen voor zijn ogen. Voorzichtig keek hij verbaasd om zich heen. Het was zo licht! Hij lachte hardop. Waar hij ook keek, overal zag hij witte muren en een witte vloer. Ook lag er sneeuw. Uitgelaten begon hij te springen. Hij gleed uit en kwam ruggelings op de sneeuw terecht. Hij proestte het uit van het lachen. Euforisch begon hij te rennen. Gillend. Schreeuwend. Schaterend.
Hij viel opnieuw. Hard. Voorover, met zijn gezicht op de vloer. Duizelig kwam hij langzaam overeind, maar verstijfde plotseling. De lach bevroor op zijn gezicht. Hij schrok zo erg dat zijn lichaam bibberde en zijn benen het begaven. Hij zakte door zijn knieën.

Ze deed nog drie stappen naar voren en hielp hem overeind. Volledig van de kaart staarde hij haar in het gezicht. De tranen liepen hem over wangen. Schokkend, en met lange uithalen huilde hij. Hij hing tegen haar aan, zijn hoofd op haar schouder. Haar lange haar viel over zijn gezicht. Ze hield hem stevig vast en streelde zijn wang.
Hij kon niet meer stoppen met huilen. Heel lang stonden ze daar, tot hij eindelijk bedaarde. Nog steeds hadden ze niks gezegd, elkaar vastklemmend, om nooit meer los te laten. Ze glimlachte naar hem en kuste hem op het voorhoofd. Hij keek naar haar mooie gezicht, waar geen pijn meer op te zien was. Ze was zo kalm, zo mooi, zo perfect. Er gleed een lieve lach door haar ogen, heel intens. Hij verdronk in die lieve lach, die hij bijna vergeten was. Toen werd alles nog feller en witter dan wit en ze werden er door opgezogen. Hoger en hoger zweefden ze, in een eeuwige verstrengeling.

*

Hard geschreeuw deed hem wakker schrikken. Hij voelde hoe hij heel stevig van achteren werd beetgepakt. Ze sloegen hem op de rug en in het gezicht. De man die achter hem stond drukte hard met beide handen in zijn maag. Hij kokhalsde in doodsangst. Hij voelde overal braaksel. Hij vocht als een leeuw tot alles zwart werd.

Toen hij zijn ogen weer open deed keek hij uit over een besneeuwd grasveld. Hij glimlachte. Dat er opeens zoveel sneeuw kon vallen. Hij draaide zich om in het hoge bed. Hij zag de behaarde verpleger naast het bed zitten. De man kwam half overeind, maar ging weer zitten. Hij voelde een golf van misselijkheid. Hij kneep zijn ogen even stijf dicht tot het draaierige gevoel verdween.
Hij keek weer naar buiten en zag toen hij beter keek voetsporen op het besneeuwde veld. Het leek of iemand gesprongen had en rondjes had gelopen en een paar keer was gevallen. Een tweede spoor kwam vanuit de mist in de verte samen met het eerste spoor.

Zijn nek verstrakte. Een felle pijn trok door zijn maag en hij kromp ineen. De tranen sprongen weer in zijn ogen en heel even meende hij dat er een schim vanaf het veld naar hem zwaaide. Ongeduldig wreef hij de tranen weg. Zou het dan toch?
Maar toen hij weer keek zag hij alleen weer het lege, ongerepte, besneeuwde veld.

Hij zonk achterover in zijn kussen. Hij had het net gezien, hij wist nu van de schimmen. Vannacht zou hij weer dromen en haar weer zien.
Hij voelde zich gelukkig.
 
 

Total Page Visits: 45 - Today Page Visits: 1